Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 06/0916/GB, 29 juni 2006, beroep
Uitspraakdatum:29-06-2006

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 06/916/GB

Betreft: [klager] datum: 29 juni 2006

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 27 maart 2006 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de beslissing waarvan beroep.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft klagers verzoek tot overplaatsing naar een beperkt beveiligde inrichting (b.b.i.) afgewezen.

2. De feiten
Klager is sedert 28 februari 2002 gedetineerd. Hij verblijft sedert 17 december 2004 in de gevangenis Veenhuizen, waar een regime van algehele gemeenschap geldt.
Klager ondergaat een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek. De wettelijk vroegst mogelijke v.i.-datum valt op of omstreeks 26 juni 2007.

3. De standpunten
3.1. Klager heeft zijn beroep als volgt toegelicht.
Klager verblijft sinds 17 december 2004 in de gevangenis Veenhuizen. Vanaf 8 januari 2005 heeft hij geen conflicten gehad. Hij houdt zich aan de regels en gaat met iedereen om en niet alleen met landgenoten. Klager wil werken aan zijn resocialisatie,
hetgeen niet mogelijk is door de afwijzing van zijn verzoek om overplaatsing naar een b.b.i.
Naar aanleiding van een eerder verzoek is informatie opgevraagd bij het openbaar ministerie. Deze van 26 oktober 2005 daterende informatie heeft mede een grondslag gevormd voor de onderhavige afwijzing. Recente informatie is niet opgevraagd. Klagers
verlofadres is in Helmond en derhalve meer dan 250 km bij het slachtoffer vandaan. Daarbij kan aan zijn verlofpas een beperking worden verbonden dat hij zich niet in de omgeving van het slachtoffer begeeft.

3.2. De selectiefunctionaris heeft de afwijzing van genoemd verzoek als volgt toegelicht.
De Reclassering Nederland acht begeleiding tijdens het resocialisatieproces van groot belang. Op dit moment onderzoekt men de mogelijkheden van eventuele behandelingen en /of trainingen in het kader van een op de situatie van klager geschreven
penitentiair programma.
Op 13 januari 2006 heeft de Advocaat-generaal van het Gerechtshof Den Haag schriftelijk laten weten van oordeel te zijn dat een b.b.i. plaatsing van klager niet vóór juli 2006 moet plaatsvinden. Gelet op de aard en de ernst van het door klager
gepleegde
delict, zal in de samenleving in het algemeen en bij nabestaanden in het bijzonder, grote opschudding ontstaan wanneer klager eerder in een b.b.i. wordt geplaatst.

4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 3 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden komen naast zelfmelders voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting in aanmerking gedetineerden die een beperkt vlucht- en maatschappelijk
risico vormen, een strafrestant hebben van maximaal achttien maanden en beschikken over een aanvaardbaar verlofadres.

4.2. In de Memorie van Toelichting op dit artikel staat dat bij de plaatsing in zeer beperkt en beperkt beveiligde inrichtingen de beoordeling of de gedetineerde geschikt is tot terugkeer in de samenleving een belangrijke rol speelt. Indicator bij
de
beoordeling daarvan is of de gedetineerde reeds eerder tijdens de huidige detentie met goed resultaat bewegingsvrijheid (onbegeleid) buiten de inrichting heeft genoten (algemeen verlof, schorsing van de preventieve hechtenis, incidenteel verlof,
strafonderbreking), alsmede of zich daarna omstandigheden hebben voorgedaan die aan deze indicator ernstig afbreuk doen. Gelet op het open karakter van de inrichting of afdeling spelen de aard, zwaarte en achtergrond van het gepleegde delict en de
persoonlijkheid van de gedetineerde een rol bij de beoordeling of betrokkene geschikt is voor plaatsing in een zeer beperkt of beperkt beveiligde inrichting of afdeling.

4.3. De op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris kan, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Hierbij is gewicht toegekend aan het door de
Advocaat-generaal van het Gerechtshof Den Haag gegeven advies van 13 januari 2006 waarin is aangegeven dat gelet op de aard en de ernst van het door klager gepleegde delict, bij de samenleving in het algemeen en bij nabestaanden in het bijzonder, grote
opschudding zal ontstaan wanneer klager op korte termijn in een b.b.i. wordt geplaatst. Gelet op de VI-datum zou een b.b.i. plaatsing van klager niet vóór juli 2006 moeten plaatsvinden. Daar komt nog bij dat de reclassering de kans op recidive groot
acht indien begeleiding van klager bij een resocialisatietraject ontbreekt. Die begeleiding is kennelijk nog niet geregeld.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.R. Meijeringh, voorzitter, mr. A.G. Bosch en dr. J.P.S. Fiselier, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Lispet, secretaris, op 29 juni 2006

secretaris voorzitter

Naar boven