Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 05/0014/GB, 21 maart 2005, beroep
Uitspraakdatum:21-03-2005

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 05/14/GB

Betreft: [klager] datum: 21 maart 2005

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennis genomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 3 januari 2005 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Klager is, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. D. Lahey, op 24 februari 2005 door een lid van de Raad gehoord.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft het bezwaarschrift van klager gericht tegen de beslissing d.d. 2 december 2004, strekkende tot afwijzing van een selectie voor deelname aan een penitentiair programma (p.p.), en de beslissing d.d. 6december 2004 om hem over te plaatsen naar de beperkt beveiligde inrichting (b.b.i.) Doetinchem ongegrond verklaard.

2. De feiten
2.1. Klager is sedert 9 april 2000 gedetineerd. Hij verbleef in de zeer beperkt beveiligde inrichting (z.b.b.i) Niendure te Almelo, van waaruit een selectievoorstel is gedaan voor deelname aan een p.p. Op 10 december 2004 is hij,na de afwijzing van het selectievoorstel voor een p.p., overgeplaatst naar de b.b.i. Doetinchem, waar een regime van algehele gemeenschap geldt. Op 13 december 2004 is hij overgeplaatst naar de gevangenis Zutphen, waarna hij op 8februari 2005 wederom is overgeplaatst naar de b.b.i. Doetinchem, alwaar hij thans nog verblijft.

2.2. Klager ondergaat een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek. De tenuitvoerlegging van deze straf is aangevangen op 5 juli 2004. De wettelijk vroegst mogelijke v.i.-datum valt op of omstreeks 5 augustus 2005.

3.
De standpunten
3.1. De raadsvrouwe verwijst in eerste instantie naar hetgeen in de beroepschriften is aangevoerd. Voorts heeft zij nog het volgende naar voren gebracht. Klager, die langere tijd in een huis van bewaring heeft verbleven, heeft openig moment zijn beroep in cassatie ingetrokken. Daardoor is zijn veroordeling onherroepelijk geworden. Vervolgens is hij in oktober 2004 overgeplaatst naar de z.b.b.i. Niendure. Op 2 december 2004 is zijn deelname aan een p.p.afgewezen, waarna de selectiefunctionaris op 6 december 2004 heeft beslist dat klager zal worden overgeplaatst naar de b.b.i. De Kruisberg te Doetinchem. Uiteindelijk heeft de selectiefunctionaris klager bij beslissing van 13december 2004 overgeplaatst naar de gevangenis Zutphen. Klager heeft om schorsing verzocht van die laatste overplaatsing maar dat verzoek is afgewezen. Uiteindelijk is klager door de selectiefunctionaris teruggeplaatst naar deb.b.i. De Kruisberg. Gelet daarop kan het beroep tegen de beslissing van de selectiefunctionaris van 13 december 2004, nu klagers belang daaraan is komen te ontvallen, als ingetrokken worden beschouwd. Ten aanzien van de beslissingvan de selectiefunctionaris om klager geen deel te laten nemen aan een p.p. geldt dat die beslissing klager bevreemdt. Klagers slechte beheersing van de Nederlandse taal is, nu de reclassering vertrouwen had in het slagen van eendergelijk p.p. en de selectiefunctionaris geacht mocht worden van die slechte taalbeheersing van klager op de hoogte te zijn geweest, geen reden voor het niet mogen deelnemen. Ook klagers motivatie wordt door de selectiefunctionarisverkeerd ingeschat. Klager is een persoon van 64 jaar. Buiten de detentiesituatie zullen mensen van zijn leeftijd veelal niet meer werken. Klager wil echter nog steeds wel werken en deelnemen aan dat programma. Met betrekking tothet uitleveringsverzoek geldt dat, nu over dat verzoek nog geen beslissing is genomen door de rechtbank en er ook geen sprake is van een uitleveringsdetentie, dit verzoek geen reden mag zijn om klager niet in aanmerking te latenkomen voor een p.p. Klagers v.i.-datum is vooralsnog nog steeds 8 augustus 2005.

3.2. De selectiefunctionaris heeft de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
De beslissing om klager niet te selecteren voor deelname aan een p.p. (met elektronisch toezicht (e.t.)) was mede gelegen in klagers functioneren in de z.b.b.i. Niendure. Uit de rapportage van Niendure komt naar voren dat klagersmentor twijfels heeft over klagers geschiktheid voor deelname aan een p.p./e.t.-traject, zulks met name vanwege klagers slechte beheersing van de Nederlandse taal, klagers beperkte vermogen om arbeid te verrichten en het feit datklager weinig of geen moeite doet om de taalbeheersing en het arbeidsvermogen te verbeteren. Klager bleek in de z.b.b.i. niet bemiddelbaar voor werk door de hiervoor genoemde tekortkomingen. Klager is uiteindelijk in de huisdienstgeplaatst met als taak het onderhouden van de tuin. Slechts onder invloed van enige dwang is klager aan het werk gegaan. Klager blijkt moeilijk te stimuleren om deel te nemen aan groepsgerichte activiteiten. Hoewel klager niet teverwijten valt dat hij de Nederlandse taal slechts in geringe mate beheerste en dat hij vanwege fysieke beperkingen allerlei soorten werk niet kan verrichten, is klagers houding in deze bepalend geweest.
Ten aanzien van klagers overplaatsing naar de b.b.i. Doetinchem geldt dat klager in de z.b.b.i. Niendure was geplaatst op basis van het derde lid van artikel 2 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerdend.d. 15 augustus 2000 (kenmerk 5042803/00/DJI), welk artikel luidt: ”In afwijking van het eerste lid kunnen tevens voor plaatsing in een zeer beperkt beveiligde inrichting of afdeling in aanmerking komen, gedetineerden ten aanzienvan wie een door de selectiefunctionaris akkoord bevonden voorstel voor deelname aan een penitentiair programma aanwezig is. Het verblijf in de zeer beperkt beveiligde inrichting direct voorafgaande aan de plaatsing in eenpenitentiair programma duurt maximaal zes maanden.”
Doordat er geen sprake meer was van een p.p./e.t.-traject is de reden voor plaatsing in een z.b.b.i komen te vervallen. Indien klager zou zijn toegestaan langer in de z.b.b.i. te verblijven, zou zijn verblijfsduur de maximum-termijnvan zes maanden overschrijden. Daarom is klager op 6 december 2004 geselecteerd voor overplaatsing naar een b.b.i..

4. De beoordeling
4.1. De b.b.i. Doetinchem is een gevangenis voor mannen met een regime van algehele gemeenschap en een beperkt beveiligingsniveau.

4.2. Hoewel klager tussentijds (op 13 december 2004) is overgeplaatst naar de gevangenis Zutphen en op 8 februari 2004 weer is teruggeplaatst naar de b.b.i. Doetinchem, kan deze periode bij de beoordeling van het beroep buitenbeschouwing blijven, nu het tegen de beslissing om klager over te plaatsen naar de gevangenis Zutphen ingestelde beroep is ingetrokken.

4.3. De vraag die beantwoording behoeft is of de op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissingen van de selectiefunctionaris bij afweging van alle in aanmerking komende belangen als onredelijk en onbillijk moeten wordenaangemerkt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de beslissing om klager vanuit de z.b.b.i. Niendure over te plaatsen naar de b.b.i. Doetinchem kan worden beschouwd als een logisch uitvloeisel van de beslissing om een selectievoor deelname aan een p.p. met e.t. af te wijzen. De beroepscommissie zal daarom eerst de beslissing ten aanzien van het p.p. beoordelen. Afhankelijk van dat oordeel zal het beroep tegen de overplaatsingsbeslissing eveneens gegronddan wel ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van de beslissing om klager niet deel te laten nemen aan een p.p. geldt het volgende.
In artikel 4 van de Pbw en de artikelen 7 en 9 van de Penitentiaire maatregel (Pm) zijn de voorwaarden opgenomen waaraan het programma en de gedetineerde moeten voldoen. In dit geval is met name van belang het bepaalde in lid 3aanhef, sub b en f, van artikel 7 van de Pm.
De selectiefunctionaris heeft zijn beslissing met name gebaseerd op het advies van de inrichting, waarin de haalbaarheid van een p.p. voor klager, gelet op zijn motivatie en geschiktheid, ernstig in twijfel wordt getrokken. Ditadvies wijkt af van het adviesrapport van de Reclassering Nederland d.d. 8 september 2004, waarin wordt aangegeven dat klager voldoet aan de criteria voor deelname aan een p.p. met e.t.. Op 23 november 2004 heeft de betreffendereclasseringsmedewerker aangegeven dat er van de zijde van de Reclassering geen enkel beletsel is om klagers p.p./e.t.-traject aan te laten vangen. Daarbij is tevens aangegeven in welke vorm dat traject plaats zou kunnen vinden. Devraag die daarom beantwoording behoeft, is die naar de zwaarte van de adviezen van respectievelijk de directeur van de z.b.b.i Niendure en de Reclassering Nederland. Naar het oordeel van de beroepscommissie mocht deselectiefunctionaris in dit geval het advies van de directeur zwaarder laten wegen. Klager is in de inrichting vrijwel dagelijks kunnen worden gevolgd en aan de waarnemingen omtrent zijn motivatie en geschiktheid voor deelname aaneen p.p. mag daarom in dit geval meer gewicht worden toegekend dan aan de bevindingen van de rapporterende reclasseringsmedewerker. Bovendien stelt de reclassering als voorwaarde dat klager Nederlandse les gaat volgen, iets waartoeklager in Niendure niet bereid bleek. Niet aannemelijk is dat klager alsnog aan die voorwaarde zal voldoen. De op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing tot afwijzing van deelname aan een p.p. (met e.t.) van deselectiefunctionaris is daarom niet in strijd met de wet en kan, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, evenmin als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep tegen die beslissing zal daarom ongegrondworden verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de selectiefunctionaris, nu klager niet langer voldeed aan de eisen voor een voortduring van zijn verblijf in een z.b.b.i., op goede gronden heeft kunnen beslissen om klager over teplaatsen naar de b.b.i. Doetinchem. Het beroep tegen die beslissing wordt daarom eveneens ongegrond verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep tegen zowel de beslissing van de selectiefunctionaris d.d. 2 december 2004 als die van 6 december 2004 ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.R. Meijeringh, voorzitter, mr. A.G. Bosch en dr. G.J. Fleers, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 21 maart 2005.

secretaris voorzitter

Naar boven