Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 04/1305/SGA, 28 juni 2004, schorsing
Uitspraakdatum:28-06-2004

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 04/1305/SGA

Betreft: [klager] datum: 28 juni 2004

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennis genomen van een op 24 juni 2004 bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingedienddoor mr. J. Osinga, advocaat te Amsterdam, namens

[...], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de locatie De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde locatie d.d. 23 juni 2004, inhoudende de oplegging van eendisciplinaire straf van zeven dagen opsluiting in een strafcel.

De voorzitter heeft voorts kennis genomen van het klaagschrift d.d. 25 juni 2004 alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur d.d. 25 juni 2004.

1. De standpunten van verzoeker en van de directeur
Door en namens verzoeker is het verzoek schriftelijk toegelicht. Daarbij is aangevoerd dat verzoeker de leiding van de afdeling waar hij verblijft heeft gewaarschuwd dat er mogelijk een incident plaats zou kunnen vinden tussenNederlandse en Turkse gedetineerden. Dat incident heeft vervolgens ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Daarbij zijn de betrokken Turkse gedetineerden disciplinair gestraft. Tijdens een eerder, soortgelijk, incident zijn de betrokkenNederlandse gedetineerden niet bestraft. Verzoeker is van mening dat er in dit geval sprake is van discriminatie en heeft daartegen bij de leiding van de afdeling geprotesteerd. Een en ander was niet bespreekbaar en aan verzoekeris, toen hij aanhield in zijn bezwaren, disciplinair gestraft met drie dagen opsluiting in de eigen cel. Toen de directeur het betreffende verslag met klager kwam afhandelen, heeft verzoeker zijn ongenoegen aan de directeur kenbaargemaakt. Verzoeker zou de directeur bij de afhandeling van het verslag hebben uitgescholden en bedreigd. Verzoeker had evenwel slechts de bedoeling om het verschil in behandeling tussen de verschillende gedetineerden aan de orde testellen. Verzoeker heeft nooit eerder een disciplinaire straf opgelegd gekregen. Verzoeker is van mening dat de afdelingsleiding en de directeur begrip moeten kunnen opbrengen voor de door hem gesignaleerde problemen. In eeninrichting kunnen emoties soms hoog oplopen en de directeur zou een en ander moeten kunnen verdragen. Verzoeker is van mening dat de aan hem opgelegde disciplinaire straf in strijd is met de beginselen van subsidiariteit enproportionaliteit. Volstaan had kunnen worden met de oplegging van een minder zware disciplinaire straf.

Uit de inlichtingen van de directeur komt onder meer het volgende naar voren. Op grond van zijn persoonlijke waarneming en op grond van de nader ingewonnen informatie is de directeur van oordeel dat de opgelegde disciplinaire strafniet onredelijk of onbillijk is. Verzoeker wenst in het bijzijn van vele gedetineerden rekenschap afgelegd krijgen door het afdelingshoofd met betrekking tot een vechtpartij op de afdeling. het afdelingshoofd en de directeur warenop dat moment op de afdeling om een verslag af te handelen. Verzoeker nam geen genoegen met een korte uitleg van het afdelingshoofd en eiste volledige informatie over een gesprek tussen twee afdelingshoofden. Verzoeker was daarbijzeer luidruchtig en vertoonde zeer dwingend gedrag. Het afdelingshoofd werd daarbij verweten te discrimineren. Verzoeker is de directeur bekend als een manipulator met een bepaalde macht op de afdeling. Op grond van zijn eigenwaarneming heeft de directeur verzoeker bij zich laten komen en aan hem is toen een disciplinaire straf van drie dagen opsluiting in de eigen cel opgelegd. In zijn reactie op deze strafoplegging heeft verzoeker de directeur beledigddoor hem "Hitler" te noemen. Voorts heeft hij met een bepaalde rust maar met een dreigende ondertoon de directeur bedreigd door aan te geven de naam van de directeur te kennen. Hiermee heeft hij verwezen naar zijn crimineleachtergrond, in de wetenschap dat een bedreiging van iemand van zijn kaliber een totaal ander effect scoort dan wanneer een "kruimeldiefje" dit opmerkt. Verzoeker verblijft reeds vele jaren in een penitentiaire inrichting en weethoe een en ander er in een dergelijke inrichting aan toe gaat. Zijn negatieve gedrag is hem volstrekt aan te rekenen.

2. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan wordenonderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is omthans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing.

Op grond van het bepaalde in artikel 50, eerste lid, van de Pbw mag in beginsel geen beslissing tot het opleggen van een sanctie worden genomen, dan nadat aan de gedetineerde mededeling is gedaan dat schriftelijk verslag is of zalworden opgemaakt. Nu evenwel de aanleiding voor het opleggen van de onderhavige disciplinaire straf door de directeur zelf is waargenomen, bestond er naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in dit geval geen aanleiding om eenverslag op te maken en aan te zeggen. Het doel van het verslag is immers om de directeur in te lichten over een voorval en over de omstandigheden waaronder dat voorval heeft plaats gevonden. Dat was in dit geval, nu de directeurzelf een en ander rechtstreeks heeft waargenomen, overbodig. Gelet hierop is de beslissing van de directeur
– nog steeds naar het voorlopig oordeel van de voorzitter – niet genomen in strijd met een wettelijk voorschrift terwijl die beslissing ook niet zodanig onredelijk of onbillijk moet worden geacht dat dit een zodanig spoedeisendbelang oplevert dat een toewijzing van het schorsingverzoek zou kunnen rechtvaardigen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen

3. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek af.

Aldus gedaan door mr. J. Lamens, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 28 juni 2004.

secretaris voorzitter

Naar boven