Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 04/0717/GA, 13 april 2004, beroep
Uitspraakdatum:13-04-2004

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Vermissing  v

Uitspraak

nummer: 04/717/GA

betreft: [klager] datum: 13 april 2004

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennis genomen van een op 27 januari 2004 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak d.d. 12 januari 2004 van de beklagcommissie bij de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Breda,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 2 april 2004, gehouden in de p.i. Vught, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.W. de Bruin, en [...], afdelingshoofd bij de p.i.Breda.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft de vermissing van klagers trouwring tijdens klagers overbrenging naar de observatiecel.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Klager droeg de trouwring van zijn vrouw om zijn pink. Deze zat daar stevig. Ten tijde van zijn overbrenging naar de observatiecel werden zijn armen op hardhandige wijze op zijn rug gebonden. Bij het naar boven lopen op de trapmerkte klager dat hij de ring kwijtraakte. Hiervan heeft hij meteen melding gemaakt. In een later stadium heeft de raadsman aan de directeur verzocht om de twee bij het voorval aanwezige gedetineerden te horen, maar hieraan is geengehoor gegeven.

Namens de directeur is in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Bij de plaatsing van klager in de observatiecel had hij geen ring om. Toen klager van de vermissing melding had gemaakt is op de betreffende plek gezocht, doch geen ring gevonden. De door klager en zijn raadsman genoemdegedetineerden zijn niet als getuigen in deze zaak gehoord omdat ze niet als meest betrouwbaar bekend staan.
Van de plaatsing in de observatiecel is geen verslag opgemaakt, hetgeen wel gebruikelijk is. Zeker is in elk geval dat klager op dat moment geen ring droeg. De ring is naderhand ook niet gevonden op klagers cel of bij deobservatiecellen.

3. De beoordeling
De beroepscommissie stelt op grond van het verhandelde ter zitting allereerst vast dat niet in geschil is dat klager binnen de inrichting in het bezit is geweest van een gouden trouwring. Het risico voor vermissing van voorwerpendie een gedetineerde invoert in een p.i. rust, bijzondere omstandigheden daargelaten, bij de gedetineerde. Hij is en blijft zelf in beginsel verantwoordelijk voor door hem ingevoerde voorwerpen. Dit uitgangspunt kan uitzonderingleiden als voorwerpen door ingrijpen van de kant van de inrichting op enigerlei wijze buiten de macht van de gedetineerde raken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat klagerzijn ring tijdens de overbrenging naar de observatiecel door toedoen van het inrichtingspersoneel is kwijtgeraakt. Tegen die achtergrond komt de vermissing van de trouwring van klager voor diens risico.
Het beroep zal mitsdien ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.J. van Oostveen, voorzitter, mr. U. van de Pol en mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Lispet, secretaris, op 13 april 2004

secretaris voorzitter

Naar boven