Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/4073/GA, 14 juli 2020, beroep
Uitspraakdatum:14-07-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-19/4073/GA             

Betreft [klager]            Datum 14 juli 2020

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen het voortijdig insluiten op cel (DC-2019-000229).

De alleensprekende beklagrechter bij het Detentiecentrum (DC) Rotterdam heeft op 19 juni 2019 het beklag ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagrechter is bijgevoegd. Dat de uitspraak zou zijn gedaan door de beklagrechter van de PI Krimpen aan den IJssel - deze PI valt onder hetzelfde secretariaat van de Commissies van Toezicht dat wordt gevoerd vanuit de arrondissementsrechtbank Rotterdam - wordt opgevat als een kennelijke schrijf- en/of typefout.

Klagers gemachtigde, mw. L.E. Hesseling van het Meldpunt Vreemdelingendetentie, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn gemachtigde en de directeur van het DC Rotterdam (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Klager werd op 28 maart 2019, net als al de andere gedetineerden op zijn afdeling, om 16:30 uur ingesloten op zijn cel in plaats van om 17:00 uur, vanwege een personeelsvergadering, zonder compensatie later op de dag. Niet duidelijk is waarom een personeelsvergadering plaatsvindt tijdens de vrije uren. Het gebeurt vrijwel iedere donderdag en betwist wordt dan ook dat er sprake is van overmacht. Door de vervroegde insluiting heeft een beperking van de hoeveelheid vrije tijd plaatsgevonden. Klager verzoekt compensatie voor de geleden schade. 

Standpunt van de directeur

Primair is het beroep te laat ingediend, aangezien in het pro forma beroepschrift wordt aangegeven dat zij op 19 juni 2019 kennis hebben genomen van de uitspraak en het beroepschrift dateert van 27 juni 2019. Dat in het inhoudelijke beroepschrift staat vermeld dat ze op 24 juni 2019 hebben kennisgenomen van de uitspraak, doet daar niet aan af.

Subsidiair wordt verzocht het beklag ongegrond te verklaren. Klager bevindt zich op een afdeling met interne vrijheden wat inhoudt dat wekelijks 87,5 uren aan recreatie en 13,5 uren aan recreatieve activiteiten worden aangeboden. Dit ligt ver boven de wettelijke normen van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw). Ook indien het half uur eerder insluiten betekend zou hebben dat een half uur minder recreatieve activiteiten is aangeboden, is klager hierdoor alsnog niet in zijn rechten geschaad. 

3. De beoordeling

Ontvankelijkheid

Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Pbw moet het met redenen omklede beroepschrift uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de uitspraak onderscheidenlijk na die van de mondelinge mededeling van de uitspraak worden ingediend.

Het pro forma beroepschrift is gedateerd 27 juni 2019 en op die datum op het secretariaat van de RSJ ontvangen. Daarin heeft de gemachtigde vermeld dat zij op 19 juni 2019 van het Meldpunt Vreemdelingendetentie kennis hebben genomen van de uitspraak van de beklagrechter. In het nadien ingediende beroepschrift met gronden staat vermeld dat zij op 24 juni 2019 kennis hebben genomen van de uitspraak. In de uitspraak van de beklagrechter staat vermeld dat een afschrift van de uitspraak voor klager beschikbaar is op het secretariaat en per post aan het Meldpunt Vreemdelingendetentie is verzonden op 19 juni 2019. Doorgaans wordt de post één of meer dagen na de verzending pas ontvangen zodat ervan kan worden uitgegaan dat het Meldpunt Vreemdelingendetentie niet vòòr 20 juni 2019 de beschikking heeft gehad over een afschrift van de uitspraak. Daarmee is het op 27 juni 2019 ingediende pro forma beroepschrift aan te merken als tijdig en zal de beroepscommissie klager ontvankelijk verklaren in het beroep.

Inhoudelijk

Onweersproken is dat op 28 maart 2019 de afdeling waarop klager zich bevindt een half uur eerder is ingesloten dan gebruikelijk, om 16:30 uur in plaats van om 17:00 uur, vanwege een personeelsvergadering, terwijl klager toen kon deelnemen aan de recreatie.

Artikel 49, tweede lid, van de Pbw, bepaalt dat iedere gedetineerde elke week minstens zes uren mag deelnemen aan recreatie. Nu klager zich op een afdeling bevindt waar blijkens de schriftelijke mededeling van de directeur wekelijks 87,5 uren aan recreatie en 13,5 uren aan recreatieve activiteiten wordt aangeboden, wordt ruim voldaan aan de wettelijke minimumnorm en acht de beroepscommissie een half uur minder vrije tijd in dat kader niet onredelijk lang. Voor de stelling dat er geen sprake is van overmacht maar van structureel eerder insluiten, biedt het dossier geen aanknopingspunten.

Gelet op het voorgaande acht de beroepscommissie de bestreden beslissing van de directeur om klager voortijdig in te sluiten, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet onredelijk of onbillijk.

Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagrechter. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagrechter met aanvulling van de gronden.

Deze uitspraak is op 14 juli 2020 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. M. Iedema, voorzitter, U.P. Burke en mr. D. van der Sluis, leden, bijgestaan door mr. K. Kiela, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven