Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/4269/GA, 29 juni 2020, beroep
Uitspraakdatum:29-06-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          R-19/4269/GA                        

Betreft [klager]            Datum 29 juni 2020

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van [klager] (hierna: klager)

1. De procedure

Klager heeft beklag ingesteld tegen een disciplinaire straf van drie dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, zonder televisie, vanwege het aantreffen van contrabande, ingaande op 12 april 2019 (Nh-2019-000199).

De beklagcommissie bij de locatie Norgerhaven te Veenhuizen heeft op 19 juli 2019 het beklag ongegrond verklaard. De uitspraak van de beklagcommissie is bijgevoegd.

Klagers raadsman, mr. M. Iwema, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en de directeur van de locatie Norgerhaven (hierna: de directeur) in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

Ten onrechte is geconcludeerd dat de aangetroffen contrabande van klager afkomstig was. De directie heeft in haar reacties telkens een andere beschrijving gegeven van de gevolgde visitatieprocedure. Klager betwist dat de drugshond de visitatieruimte schoon had bevonden, voordat iedere gedetineerde daar werd gevisiteerd. Klager stelt dat de drugshond in de cel bleef en daarom kon de contrabande van een voorganger van klager zijn geweest.

Standpunt van de directeur

De directeur heeft zijn standpunt in beroep niet nader schriftelijk toegelicht.

3. De beoordeling

Uit het schriftelijk verslag en de schriftelijke mededeling van de disciplinaire straf volgt dat tijdens een controle met een drugshond, de hond een melding gaf rond de schaamstreek van klager. Hierna is klager gevisiteerd in de doucheruimte. Na de controle lag er een bolletje met een substantie in plastic gewikkeld op de grond.

Hoewel uit het schriftelijke standpunt van de directie op het klaagschrift kan worden afgeleid dat de doucheruimte mogelijk niet opnieuw is gecontroleerd door de drugshond voordat klager werd gevisiteerd, is voldoende aannemelijk geworden dat de aangetroffen contrabande van klager afkomstig was. Hierbij neemt de beroepscommissie in aanmerking dat het personeel te kennen heeft gegeven dat de grond schoon was toen klager de ruimte betrad.

Daarom kon in redelijkheid deze straf aan klager worden opgelegd. 

Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie dan ook niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie, met aanvulling van de gronden.

Deze uitspraak is op 29 juni 2020 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr.dr. J. de Lange, voorzitter, mr. J.M.L. Niederer en mr. A.M.G. Smit, leden, bijgestaan door mr. K. Kiela, secretaris.

secretaris        voorzitter

Naar boven