Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-20/3007/SGA, 13 februari 2020, schorsing
Uitspraakdatum:13-02-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

 

Nummer          : S-20/3007/SGA

Betreft : [verzoeker]   datum: 13 februari 2020

 

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. W.B.O. van Soest, namens […], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de locatie Norgerhaven te Veenhuizen.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 7 februari 2020, inhoudende de terugplaatsing van verzoeker in het basisprogramma (degradatiebeslissing).

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 7 februari 2020 (Nh-2020-000070) alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur ontvangen op 12 februari 2020.

1. De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Namens verzoeker wordt gesteld dat nooit een beslissing aan hem is uitgereikt. Volgens verzoeker is deze gang van zaken onrechtmatig, nu hij niet weet of een beslissing is genomen en hij zonder enige overweging of grond in het basisprogramma verblijft. Voorts stelt verzoeker dat sprake is van één enkel feit die hem mogelijk kan worden tegengeworpen.

De voorzitter overweegt dat verzoeker drie weken in het basisprogramma heeft verbleven zonder dat daaraan een beslissing van de directeur ten grondslag heeft gelegen, hetgeen de voorzitter onredelijk en onbillijk acht. Voor zover de directeur alsnog op 7 februari 2020 een degradatiebeslissing heeft genomen, overweegt de voorzitter als volgt. Bij het nemen van een degradatiebeslissing dient de directeur volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie niet alleen het gedrag dat leidt tot de bestreden beslissing te noemen, maar ook het structurele (waaronder het positieve) gedrag en dient hij een belangenafweging te maken die voor verzoeker en voor de (voorzitter van de) beroeps-en de beklagcommissie kenbaar is. Uit de inlichtingen van de directeur komt naar voren dat de degradatiebeslissing is genomen naar aanleiding van het “oranje” of “rode” gedrag van verzoeker. Hierbij is benoemd dat aan verzoeker disciplinaire straffen zijn opgelegd. Op 14 december 2019 heeft verzoeker drugs ingeslikt en heeft hij hiervoor een ordemaatregel opgelegd gekregen van drie dagen plaatsing in afzondering. Op 13 januari 2020 heeft verzoeker na terugkeer van weekendverlof geprobeerd contrabande (hasj en viagra) in te voeren en hij is hiervoor disciplinair gestraft. De voorzitter overweegt dat niet is gebleken dat sprake is van meer dan één disciplinaire straf, zodat naar het voorlopig oordeel van de voorzitter sprake is van incidenteel ongewenst gedrag. Voorts is onduidelijk hoe het hiervoor beschreven gedrag precies moet worden gekwalificeerd nu staat beschreven dat sprake is van “dit-kan-beter-gedrag (oranje) of ongewenst gedrag (rood)”. Ook wordt in de bestreden beslissing voor het “groene” gedrag in het geheel niets benoemd en wordt voor inhoudelijke informatie verwezen naar de mentor en het beoordelingsformulier dat onderdeel uitmaakt van het detentie- en re-integratieplan. Het detentie- en re-integratieplan is niet bij de beslissing gevoegd. Gelet op het voorgaande voldoet de belangenafweging van de directeur niet aan de daaraan gestelde eisen en kan deze daarom de bestreden beslissing niet dragen. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

2. De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende klaagschrift zal hebben beslist.

 

Aldus gedaan door mr. R.H. Koning, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Vogel, secretaris, op 13 februari 2020.

 

 

 

 

secretaris                                            voorzitter

Naar boven