Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/5561/GB, 23 maart 2020, beroep
Uitspraakdatum:23-03-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer R-19/5561/GB

              

                                              

Betreft    […]

Datum     23 maart 2020

 

Uitspraak van de beroepscommissie van de RSJ op het beroep van […] (hierna: klager).

 

1. De procedure

De Minister voor Rechtsbescherming (hierna: verweerder) heeft op 5 november 2019 beslist klager te plaatsen in de gevangenis van de Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Apel.

Klager heeft daartegen bezwaar ingesteld. Verweerder heeft dat bezwaar op 13  december  2019 ongegrond verklaard.

Klagers raadsman, mr. M. Jonk, heeft namens klager beroep ingesteld tegen deze beslissing.

De beroepscommissie heeft klager, zijn raadsman en verweerder in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk (nader) toe te lichten.

 

2. De standpunten in beroep

Standpunt van klager

De raadsman verwijst naar de gronden die in bezwaar zijn aangevoerd en heeft hierop het volgende aangevuld. De beslissing op bezwaar geeft onterecht geen blijk van een overweging die ziet op de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 20b, derde lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling). De zinsnede “in ieder geval” geeft aan dat er ook buiten gedetineerden waarop artikel 20a van de Regeling van toepassing is, een mogelijkheid is om af te wijken van het bepaalde in artikel 20b, eerste lid, van de Regeling.

Klager heeft persoonlijke belangen bij het onderhouden van contact met zijn familieleden. Het gaat dan met name om contact met klagers ouders. Klagers belang weegt zo zwaar dat deze de toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 20b, derde lid, van de Regeling rechtvaardigt. Klager wijst hierbij op de grote afstand die zijn, in het buitenland woonachtige, familieleden moeten afleggen tussen de luchthaven Schiphol en de PI Ter Apel. Verder heeft klager – als gevolg van het tijdsverschil – niet de mogelijkheid om met deze familieleden te bellen. Dit aspect weegt mee in de toets van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Klager verzoekt om terugplaatsing naar het JC Zaanstad dan wel overplaatsing naar het JC Schiphol.

 

Standpunt van verweerder

Klager voldoet aan de eisen om in de PI Ter Apel geplaatst te worden. Voor de vraag of er sprake is van zwaarwegende belangen die toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 20b, derde lid, van de Regeling rechtvaardigen, is het belangrijk om te weten hoe vaak klager bezoek krijgt uit het buitenland. Als klager vaak bezoek uit het buitenland ontvangt, wordt van hem verlangd dat hij dat al dan niet met schriftelijke stukken aantoont. Gaat het om een eenmalig of incidenteel bezoek uit het buitenland, dan mag voor die ene keer van het bezoek meer inspanning worden verwacht. Daarnaast heeft klager niet aannemelijk gemaakt dat hij – buiten zijn bezoek uit het buitenland – geheel van bezoek is verstoken. Klager geeft niet aan dat hij in de PI Ter Apel geen bezoek van andere contacten kan ontvangen. In het JC Zaanstad ontving hij ook bezoek. Het niet kunnen telefoneren met sociale contacten – vanwege een tijdsverschil – vormt geen selectiecriterium. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aangetoond om van het beleid af te wijken.

 

3. De beoordeling

Klager verbleef in het huis van bewaring (HVB) van het JC Zaanstad. Op 7 november 2019 is hij in de gevangenis van de PI Ter Apel geplaatst, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Klager wil teruggeplaatst worden naar het JC Zaanstad dan wel worden geplaatst in het JC Schiphol, omdat deze inrichtingen gemakkelijker te bereiken zijn voor zijn familie uit Peru.

Op grond van artikel 20b, eerste lid, van de Regeling worden in een inrichting voor strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen (een VRIS-inrichting) gedetineerden geplaatst die geen rechtmatig verblijf hebben in Nederland (in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000) en die zijn gedetineerd op grond van:voorlopige hechtenis (door een bevel van gevangenneming of gevangenhouding);

- een vrijheidsstraf; of
- een maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders.

Op grond van het derde lid van dit artikel kan hiervan worden afgeweken. Volgens vaste jurisprudentie van de beroepscommissie moet daarvoor echter sprake zijn van uitzonderlijke omstandigheden.

De PI Ter Apel is op dit moment de enige reguliere VRIS-inrichting. Klager voldoet aan de eisen van artikel 20b van de Regeling en moet dus in beginsel in de PI Ter Apel worden geplaatst.

Als reden voor afwijking wordt in klagers geval aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij het onderhouden van contact met zijn familieleden dermate zwaarwegend zijn dat deze toepassing van artikel 20b, derde lid, van de Regeling rechtvaardigen. Het is echter onduidelijk hoe vaak klager familiebezoek ontvangt uit Peru. Daarnaast is onduidelijk waarom klagers familieleden bij het afreizen vanuit Peru naar Nederland met name het laatste stuk van de reis als onoverkomelijk zien of als onredelijk belastend ervaren. Overigens merkt de beroepscommissie op dat het tijdsverschil met Peru zes uur is. Dit betekent dat wanneer klager bijvoorbeeld om 16.00 uur vanuit Nederland naar Peru zou bellen, het daar ongeveer 10.00 uur is. Klager kan dus gewoon overdag met zijn familieleden bellen.

Uit het selectieadvies komt naar voren dat klager tijdens zijn verblijf in het JC Zaanstad negen keer bezoek heeft gehad. Kennelijk heeft klager in Nederland sociale contacten opgebouwd. Uit klagers registratiekaart blijkt dat hij sinds zijn relatief korte verblijf in de PI Ter Apel nog geen bezoek heeft ontvangen. Hij heeft de bezoekproblemen van zijn overige sociale contacten – zowel in bezwaar als in beroep – echter niet, dan wel onvoldoende, toegelicht of feitelijk onderbouwd.

Gelet op het voorgaande, zijn klagers bezoekproblemen onvoldoende toegelicht en bij deze stand van zaken onvoldoende zwaarwegend om een uitzondering op het geldende beleid te rechtvaardigen. De problemen zijn evenmin voldoende om een schending van artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Gelet op het voorgaande en bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, kan de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

 

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is op 23 maart 2020 gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit mr. C. Fetter, voorzitter, J.G.A. van den Brand en mr. M. Iedema, leden, bijgestaan door mr.  S. van Noordt, secretaris.

 

 

secretaris voorzitter

 

 

Naar boven