Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/4872/TA, 19 maart 2020, beroep
Uitspraakdatum:19-03-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Luchten  v

 

 

 

nummer:         R-19/4872/TA

 

betreft: [klager]            datum: 19 maart 2020

 

 

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 67 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van het hoofd van FPC De Rooyse Wissel te Venray, verder te noemen de instelling, gericht tegen een uitspraak van 27 september 2019 van de beklagcommissie bij genoemde instelling, gegeven op een klacht van [....], verder te noemen klager, alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 24 januari 2019, gehouden in de penitentiaire inrichting te Vught, is namens het hoofd van voormelde tbs-instelling mevrouw […], junior stafjurist, gehoord.

Hoewel voor klagers vervoer naar de zitting was gezorgd, heeft hij geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord.

Klagers raadsman, mr. E.M. van Schaik, heeft schriftelijk laten weten dat hij verhinderd is ter zitting te verschijnen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

 

1.         De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie

Het beklag betreft de schending van klagers recht om te luchten op 6 maart 2019 (RV 2019-0000110).

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard en aan klager een tegemoetkoming toegekend van € 10,= op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

 

2.         De standpunten

Namens het hoofd van de instelling is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Klager kon zich vanaf het moment dat hij die ochtend werd uitgesloten via een deur op de patio begeven. Klager was afdelingsreiniger en hij had als taak dat hij de afdeling schoon diende te houden. Hij mocht zijn werkzaamheden zelf indelen. Hij had geen vaste tijdstippen waarop hij de werkzaamheden diende te verrichten.

Klager was de gehele ochtend en middag op de afdeling aanwezig. Tot aan het aanzeggen van de inspectie rond 14.30 uur kon hij onbegeleid pationeren. Hij kon zelf beslissen om gebruik te maken van de patio. Tijdens de aanzegging van de inspectie bevond klager zich op patio. Toen de inspectie aan klager is aangezegd, heeft klager niet aangegeven dat hij geen heel uur heeft kunnen luchten. Dit heeft hij ook niet nadien kenbaar gemaakt bij sociotherapie. Daarom is er ook geen mogelijkheid geweest om dit te compenseren. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van de Raad van 12 januari 2015 (RSJ 14/3466/TA). De casus is niet identiek, maar klager kon zelf de keuze maken of hij van luchtmomenten gebruik wilde maken. In de onderhavige zaak heeft klager de gelegenheid gehad om te luchten tussen 8.15 tot 14.30 uur. Om 14.30 uur werden alle patiënten naar binnen gehaald vanwege een grootschalige inspectie. Vervolgens is er in de avond contrabande bij klager aangetroffen en is hij in afzondering geplaatst op een andere afdeling. Gelet op de grootschalige inspectie op de afdeling was het niet mogelijk om hem begeleid te laten pationeren. De instelling wilde zicht houden op alle patiënten van de afdeling en daarom is besloten om de patio af te sluiten. Dat is gecommuniceerd naar alle patiënten. Uit de stukken en uit navraag is niet gebleken dat aan klager is gevraagd of hij al een uur had gelucht.

Namens klager is het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt in beroep als volgt toegelicht. Verzocht wordt het beroep van de directeur ongegrond te verklaren en de uitspraak van de beklagcommissie te bevestigen. De zaak waar de directeur naar verwijst in zijn beroepschrift (RSJ 12 januari 2015, 14/3466/TA) ziet op een geheel andere situatie. In die zaak gaat het immers om een klager die in afzondering verblijft en dagelijks viermaal een half uur wordt uitgesloten. De Raad heeft in die zaak geoordeeld dat klager telkens de gelegenheid had om luchten, maar dat hij daar kennelijk geen gebruik van heeft gemaakt. Het verschil met deze zaak is dat klager onverwachts werd geconfronteerd met insluiting om 14.15 uur wegens een inspectie op de afdeling. Klager wist 's ochtends niet dat hij 's middags zou worden ingesloten. Als het een normale dag was geweest voor klager en hij zijn normale programma had kunnen volgen, dan had hij nog tot in de avond gebruik kunnen maken van zijn recht om te luchten. Dit is hem echter ontnomen door de onverwachtse insluiting.

De directeur kijkt alleen naar de tijd die klager al gehad heeft om te luchten (verleden), maar de directeur dient ook te kijken naar de tijd die klager nog zou hebben gehad (toekomst). Daarbij wordt verwezen naar een eerdere uitspraak van de Raad (RSJ 26 september 2019, R-19/3394/TA). Deze casus is soortgelijk. De Raad was in die zaak van oordeel dat indien een patiënt bij een onverwachtse insluiting eigenlijk die dag nog de mogelijkheid had om te luchten, van de instelling verwacht mag worden in ieder geval na te vragen of de patiënt die dag al een uur gelucht heeft of niet. De Raad heeft daarmee kennelijk een soort inspanningsverplichting voor de instelling willen formuleren gelet op het belang van het in artikel 43, derde lid, Bvt neergelegde recht op luchten.

 

3.         De beoordeling

Op grond van artikel 43, derde lid, Bvt heeft een verpleegde recht op verblijf in de buitenlucht gedurende ten minste één uur per dag. In beginsel zijn op dit recht geen beperkingen toegelaten. Het recht op luchten is zo fundamenteel dat de instelling daarom extra inspanningen dient te verrichten om een verpleegde niet te beperken in dit recht. Met extra inspanningen wordt gedoeld op extra personeelsinzet dan wel beveiliging of eventueel mechanische hulpmiddelen.

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat een verpleegde niet in de gelegenheid wordt gesteld om te luchten.

Niet gebleken is dat klager op 6 maart 2019 een vol uur heeft gelucht.

Op die dag is klager, als gevolg van een grootschalige inspectie op de afdeling, de mogelijkheid ontnomen om na 14.30 uur nog gebruik te kunnen maken van zijn recht om te luchten. Alle verpleegden van klagers afdeling zijn immers vanaf dat moment ingesloten. Klager was echter op 6 maart 2019 vanaf het moment van uitsluiten, om 8.15 uur, tot het moment van insluiten, om 14.30 uur, in beginsel in de gelegenheid geweest om te luchten. Klager heeft noch bij het aanzeggen van de inspectie noch op een later moment die dag gemeld dat hij - ondanks de uitsluiting van ruim zes uur die dag - geen vol uur heeft gelucht.

Gelet op alle genoemde omstandigheden kan klager in dit geval niet met recht het hoofd van de instelling verwijten onvoldoende invulling te hebben gegeven aan de op hem rustende zorgplicht ten aanzien van klagers recht om te luchten.

Gelet op het voorgaande zal het beroep van het hoofd van de instelling gegrond worden verklaard.

 

4.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog ongegrond.

 

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. T.B. Trotman, voorzitter, drs. M.R. Daniel en dr. T. Jambroes, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Meekenkamp, secretaris, op 19 maart 2020.    

 

                                 secretaris                                 voorzitter

Naar boven