Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-20/2956/SGA, 7 februari 2020, schorsing
Uitspraakdatum:07-02-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          : S-20/2956/SGA

Betreft : [verzoeker]   datum: 7 februari 2020

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschriften, ingediend door mr. N.C.J. Meijering en mr. C.W. Flokstra, namens […], verder verzoeker te noemen, feitelijk verblijvende in – zo begrijpt de voorzitter – een afzonderingscel op unit 5 in het gebouw van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) van de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught. Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissingen van de directeur van de locatie Zuyder Bos te Heerhugowaard van
a.         30 januari 2020, inhoudende de oplegging van een ordemaatregel van veertien dagen plaatsing in afzondering in een afzonderingscel, ingegaan op 30 januari 2020 om 12:15 uur en eindigend op 13 februari 2020 om 12:15 uur, in afwachting van een besluit op het door de inrichting ingestuurde selectieadvies tot overplaatsing, en
b.         30 januari 2020, inhoudende de tenuitvoerlegging van de hiervoor onder a. vermelde ordemaatregel op de afdeling voor beheersproblematische gedetineerden (BPG-afdeling) van de p.i. Vught, omdat de tenuitvoerlegging van de ordemaatregel in de locatie Zuyder Bos op ernstige bezwaren stuit.
De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van de klaagschriften van 31 januari 2020 (ZB-2020-84 en ZB-2020-85), de schriftelijke inlichtingen van de directeur van de locatie Zuyder Bos van 4 februari 2020 en een bericht van de directeur van de p.i. Vught van 5 februari 2020.

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval. Namens verzoeker wordt gesteld dat de opgelegde ordemaatregel in het geheel niet is onderbouwd en dat volstrekt onbekend is van welke informatie sprake is, waardoor hij in het duister tast over de reden voor zijn plaatsing in de afzonderingscel. Volgens verzoeker blijkt niet van welke van de in artikel 23 van de Pbw genoemde gronden sprake is en waarop de ernstige vermoedens worden gebaseerd. Voorts wordt namens verzoeker gesteld dat de tenuitvoerlegging van de ordemaatregel elders niet met meer is onderbouwd dan dat sprake zou zijn van “ernstige bezwaren” wanneer de opgelegde ordemaatregel in de locatie Zuyder Bos ten uitvoer zou worden gelegd. Het is onbekend op welke concrete feiten en omstandigheden dit is gebaseerd. Verder zou verzoeker volgens de bestreden beslissing op de BPG-afdeling worden geplaatst, maar verblijft hij nu in de EBI. Ook is verzoeker niet gehoord, met als reden dat hij “hiervan in kennis wordt gesteld op het moment dat tot directe plaatsing kan worden overgegaan”, hetgeen volgens hem onbegrijpelijk is. Verzoeker stelt niets van doen te hebben met handelingen die te maken hebben met vluchtpogingen. Uit de inlichtingen van de directeur van de locatie Zuyder Bos komt naar voren dat de afgelopen tijd meldingen zijn ontvangen met informatie over een mogelijke poging tot ontvluchting vanuit de inrichting. Hierbij werd het gebruik van geweld, gijzeling, explosieven en vuurwapens genoemd. Ook zou sprake zijn van hulp van binnen de inrichting, door zowel medegedetineerden als medewerkers, en hulp van buiten de inrichting. Deze informatie is gedeeld met het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) en de GRIP-rapportage wordt afgewacht. De informatie vormde zo’n grote bedreiging voor de orde, rust en veiligheid binnen de inrichting dat is besloten aan verzoeker een ordemaatregel van plaatsing in afzondering op te leggen en deze elders ten uitvoer te leggen, in afwachting van verdere besluitvorming. De opgelegde ordemaatregel is ook nodig om te onderzoeken of de verkregen informatie op waarheid berust. In verband met de ernst van de informatie kan deze niet worden gedeeld gedurende het onderzoek. De directeur geeft aan dat verzoeker is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens ernstige levensdelicten en dat hij is geplaatst op de lijst van gedetineerden met een verhoogd vlucht-/maatschappelijk risico. Een ontsnapping van verzoeker zou tot grote maatschappelijke beroering en een ernstige verstoring van de orde, rust en veiligheid binnen de inrichting leiden. Verzoeker is niet voorafgaand aan het opleggen van de ordemaatregelen gehoord in verband met de vereiste spoed. Op grond van de beschikbare informatie hield de directeur rekening met een onmiddellijke ontsnapping uit de inrichting waardoor er geen tijd was om verzoeker eerst te horen. De directeur geeft aan gebruik te hebben gemaakt van de mogelijkheid om van het horen af te zien zoals is neergelegd in artikel 57, derde lid onder a, van de Pbw. In reactie op de opmerking van de advocaat dat verzoeker niet op de BPG-afdeling maar in de EBI verblijft, geeft de directeur aan dat de directeur van de p.i. Vught verantwoordelijk is voor de wijze van de plaatsing in afzondering in deze inrichting. Verzoeker is (nog) niet in de EBI geplaatst. Uit de inlichtingen van de directeur van de p.i. Vught komt naar voren dat momenteel de afzonderingscellen op de BPG-afdeling worden verbouwd. Verzoeker verblijft daarom in een afzonderingscel op unit 5, in hetzelfde gebouw als waarin de EBI is gesitueerd. Er bestaat geen verschil tussen de afzonderingscellen of de regelgeving van unit 5 en de BPG-afdeling. Nu de directeur over ernstige informatie beschikt met betrekking tot een mogelijke ontsnappingspoging van verzoeker uit de locatie Zuyder Bos, is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter voldoende aannemelijk geworden dat verzoekers plaatsing in afzondering in een afzonderingscel noodzakelijk is in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. De aard van de informatie maakt dat de directeur in redelijkheid en billijkheid heeft kunnen besluiten dat de tenuitvoerlegging van de ordemaatregel in een andere inrichting moet worden ondergaan, nu deze in de inrichting op ernstige bezwaren stuitte. Dat verzoeker zich in verband met een verbouwing van de afzonderingscellen op de BPG-afdeling feitelijk in een afzonderingcel in unit 5 bevindt maakt dit niet anders, nu het de voorzitter niet is gebleken dat verzoeker door deze gang van zaken in zijn belangen wordt geschaad. Voorts overweegt de voorzitter dat – eveneens gelet op de aard van de informatie – voldoende aannemelijk is geworden dat de vereiste spoed zich verzette tegen het horen van verzoeker voorafgaand aan het opleggen van de ordemaatregelen, zodat dit achterwege kon blijven. Gelet op al het voorgaande zijn de bestreden beslissingen van de directeur – naar het voorlopig oordeel van de voorzitter – niet zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om tot schorsing hiervan over te gaan. Het verzoek zal worden afgewezen.

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek af.

Aldus gedaan door mr. M.J. Stolwerk, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Vogel, secretaris, op 7 februari 2020.

secretaris                                voorzitter

Naar boven