Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-20/2944/SGA, 31 januari 2020, schorsing
Uitspraakdatum:31-01-2020

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          : S-20/2944/SGA

Betreft : [verzoeker]   datum: 31 januari 2020

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift van […], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Achterhoek te Zutphen. Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 15 januari 2020, inhoudende de terugplaatsing van verzoeker in het basisprogramma (degradatiebeslissing). De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van de mededeling van de commissie van toezicht van 30 januari 2020 dat het schorsingsverzoek in behandeling wordt genomen als klaagschrift alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 31 januari 2020.

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval. Verzoeker stelt dat hij niet op 4 december 2019, maar op 5 december 2019 vanuit de p.i. Lelystad in de p.i. Achterhoek is geplaatst. Volgens verzoeker heeft de directeur de degradatiebeslissing 26 dagen te laat genomen en had deze al op 20 december 2019 genomen moeten worden. Bij het nemen van een degradatiebeslissing dient de directeur volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie niet alleen het gedrag dat leidt tot de bestreden beslissing te noemen, maar ook het structurele (waaronder het positieve) gedrag en dient hij een belangenafweging te maken die voor verzoeker en voor de (voorzitter van de) beroeps-en de beklagcommissie kenbaar is. Uit de inlichtingen van de directeur komt naar voren dat de degradatiebeslissing is genomen naar aanleiding van het “rode” gedrag van verzoeker. Hierbij is benoemd dat verzoekers gedrag niet is gericht om op een positieve wijze te werken aan zijn re-integratie en resocialisatie. Ondanks dat verzoeker daar meerdere malen op is geattendeerd, blijft hij volharden in dit negatieve gedrag. Het is de voorzitter niet gebleken waaruit dit negatieve gedrag bestaat. Voor zover de directeur in zijn schriftelijke reactie op het schorsingsverzoek aangeeft dat verzoeker 20 december 2019 disciplinair is gestraft voor het gebruik van harddrugs, ontbreekt deze informatie in de bestreden beslissing en is het de voorzitter niet gebleken dat deze gedraging is meegenomen in de door de directeur gemaakte belangenafweging. Voorts wordt in de bestreden beslissing helemaal niets benoemd over het “oranje” en “groene” gedrag en wordt alleen verwezen naar het D&R-plan, zodat het de voorzitter ook niet is gebleken welk gedrag is meegenomen in de door de directeur gemaakte belangenafweging. Gelet op het voorgaande voldoet de belangenafweging van de directeur – naar het voorlopig oordeel van de voorzitter – niet aan de daaraan gestelde eisen en kan deze daarom de bestreden beslissing niet dragen. De bestreden beslissing moet daarom als zodanig onredelijk en onbillijk worden aangemerkt dat er een spoedeisend belang is om over te gaan tot schorsing hiervan. Het verzoek zal worden toegewezen.

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende klaagschrift zal hebben beslist.

Aldus gedaan door mr. A.M.G. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Vogel, secretaris, op 31 januari 2020.

 

secretaris                                voorzitter

Naar boven