Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-19/2120/SGA, 19 augustus 2019, schorsing
Uitspraakdatum:21-08-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          : S-19/2120/SGA

Betreft : [verzoeker]    datum: 19 augustus 2019

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift van  […], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de locatie Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde locatie van 15 augustus 2019, inhoudende de oplegging van een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een strafcel, ingaande op 15 augustus 2019 om 16.00 uur en eindigend op 20 augustus 2019 om 16.00 uur, wegens een positieve uitslag bij een urinecontrole.

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van de schriftelijke mededeling van de commissie van toezicht van 16 augustus 2019 dat het schorsingsverzoek tevens als klaagschrift is aangemerkt, van de e-mail ingediend namens verzoeker door mr. R.A. Bruinsma van 16 augustus 2019 alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 16 augustus 2019.

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Uit de inlichtingen van de directeur, waaronder het schriftelijk verslag van 14 augustus 2019, volgt dat bij verzoeker een urinecontrole is afgenomen waarvan de uitslag een positieve score op het gebruik van cocaïne (>1000) betrof. Verzoeker wenste geen gebruik te maken van een herhalingsonderzoek. Namens verzoeker wordt ontkend dat sprake is geweest van drugsgebruik, maar stelt dat hij meerdere pijnstillers heeft geslikt in verband met zware hoofdpijn. Wat er ook zij van de (on)juistheid van de stelling van verzoeker, deze schorsingsprocedure leent zich niet voor een nader onderzoek ervan. Een positieve uitslag bij een urinecontrole betreft strafwaardig gedrag en de directeur heeft hiervoor in redelijkheid aan verzoeker een disciplinaire straf kunnen opleggen.

Aan verzoeker is een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een strafcel opgelegd. Met betrekking tot de aard en hoogte van de opgelegde disciplinaire straf overweegt de voorzitter als volgt. Uit de ‘Sanctiekaart 2019 Landelijk’, waarin het landelijk geldende sanctiebeleid is vastgelegd, volgt dat voor een positieve uitslag bij een urinecontrole op het gebruik van harddrugs, in beginsel een disciplinaire straf van maximaal zeven dagen opsluiting in de eigen cel kan worden opgelegd. Dit brengt met zich dat, indien de directeur van de beleidslijn wil afwijken, daarbij de eis geldt dat die afwijking gemotiveerd dient te worden. De voorzitter stelt vast dat deze motivering in de beslissing en de schriftelijke inlichtingen van de directeur ontbreekt. De voorzitter acht de opgelegde straf dan ook, voorlopig oordelend, niet proportioneel. Het verzoek zal worden toegewezen.

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende beklag zal hebben beslist.

Aldus gedaan door mr. M. Keppels, voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A. van der Veen, secretaris, op 19 augustus 2019.

secretaris         voorzitter

Naar boven