Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-19/3891/GB, 15 augustus 2019, beroep
Uitspraakdatum:15-08-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer:         R-19/3891/GB

Betreft:            […]      datum: 15 augustus 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. S. Önemli, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen een op 28 mei 2019 genomen beslissing van de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister), en van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

De Minister heeft het bezwaarschrift van klager gericht tegen de beslissing hem te plaatsen in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught ongegrond verklaard.

2.         De feiten

Klager is sinds 2 juni 2015 gedetineerd. Hij verbleef in het huis van bewaring (h.v.b.) van de p.i. Grave. Op 20 maart 2019 is hij in het PPC van de p.i. Vught geplaatst.

3.         De standpunten

3.1.      Door en namens klager is het beroep als volgt toegelicht. Klagers detentie vormt onder de huidige omstandigheden een gevaar voor zijn gezondheid. Er wordt op geen enkele manier vormgegeven aan zijn detentiefasering. In 2012 is vastgesteld dat klager lijdt aan psychogene niet epileptische aanvallen (PNEA). Tijdens zo’n aanval is klager niet aanspreekbaar en reageert hij ook niet op forse pijnprikkels. De aanvallen lijken een reactie te zijn op confrontatie met negatieve emoties en herinneringen. In verband met die aanvallen is eerder zijn voorlopige hechtenis geschorst, op voorwaarde dat hij zich liet behandelen. EMDR-behandeling was geïndiceerd. De GZ-psycholoog heeft te kennen gegeven dat het daarbij belangrijk is dat klager een goede werkrelatie met de behandelaar opbouwt en zich veilig voelt. Aan beide omstandigheden werd destijds niet voldaan. Een PNEA kan in het PPC niet adequaat behandeld worden. Dat is in 2017 al vastgesteld. Klagers gezondheid gaat sterk achteruit. De PNEA’s komen in detentie veel vaker voor dan thuis, omdat hij zich niet veilig voelt in het PPC, waar allemaal mensen met psychische stoornissen verblijven. Klagers klachten zijn lichamelijk van aard, niet psychisch. Aan klager wordt geen behandeling aangeboden en er is ook geen behandelplan opgesteld. Hij wordt buitengesloten van alle activiteiten, zodat iedere vorm van resocialisatie hem wordt ontzegd, terwijl hij al in de laatste fase van zijn detentie zit. Er is met klager nog niet eens gesproken over plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting (b.b.i.), terwijl hij daar al op 12 maart 2019 geplaatst had moeten worden. Hij hoort niet thuis in het PPC. Alternatieven, zoals elektronische detentie, zijn ten onrechte niet onderzocht. Gelet op de toename van de aanvallen, het gebrek aan behandeling en het uitblijven van detentiefasering, is de bestreden beslissing op onjuiste gronden genomen.

Klager heeft nimmer contact gehad met een gedragsdeskundige in de p.i. Grave. De beslissing is genomen op basis van het advies van de inrichtingspsycholoog, die hem nooit gesproken heeft. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is het aantal aanvallen afgenomen, doordat klager EMDR-therapie volgde. Hij staat sinds 20 maart 2019 24 uur per dag onder cameratoezicht. Het is onjuist dat klager in de laatste periode in de p.i. Grave vier aanvallen heeft gehad. Het NIFP heeft nooit onderzoek verricht. De indicatiestelling is dan ook onjuist en niet actueel.

Klager verzoekt te worden gehoord.

3.2.      Namens de Minister is de bestreden beslissing als volgt toegelicht. Klager verblijft sinds 20 maart 2019 in het PPC van de p.i. Vught. De eerste dagen is hij door middel van cameratoezicht geobserveerd, op advies van de gedragsdeskundigen en de medische dienst. Volgens de raadsvrouw vormt detentie een gevaar voor klagers gezondheid. Hij is na de eerste paar dagen echter nogmaals geobserveerd door middel van cameratoezicht, tegen welke beslissing hij beklag heeft ingediend. De indicatiestelling van het NIFP is niet opgeheven. In klagers overplaatsingsverzoek van 17 april 2019 is niet aangevoerd dat zijn gezondheid in gevaar wordt gebracht. Hij meende dat hij zijn behandeling buiten detentie kon voortzetten. Op dezelfde dag dat klagers raadsvrouw beroep instelde, is klager nog disciplinair gestraft. Tegen de uitsluiting van activiteiten heeft klager beklag ingediend. Dat staat los van deze procedure. In de indicatiestelling staat dat klager vanaf zijn binnenkomst in de p.i. Grave vier aanvallen heeft gehad. In de ordemaatregelen die de directeur van de p.i. Grave heeft opgelegd, staat ook vermeld dat klager regelmatig aanvallen kreeg.

4.         De beoordeling

4.1.      Klager heeft verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. De beroepscommissie wijst dit verzoek af, omdat de noodzaak van een mondelinge toelichting niet is gebleken. Zij acht zich op basis van de stukken voldoende ingelicht om op het beroep te beslissen.

4.2.      Klager is in het PPC geplaatst in verband met zijn PNEA’s, op grond van een indicatiestelling van het NIFP. Vaststaat dat klager lijdt aan PNEA’s. Klager betwist echter dat plaatsing in het PPC op die grond is aangewezen. Hij stelt dat het daarvan alleen maar erger wordt.

4.3.      In de indicatiestelling van het NIFP staat (zowel bij ‘Problematiek’ als bij ‘Inschatting benodigde zorg’):

“Betrokkene sinds zijn binnenkomst d.d. 15-03-2019 al 4 aanvallen gehad. Deze aanvallen brengen de nodige (gezondheids) risico's met zich mee. Betrokkene kan zijn aanvallen niet opvangen en tijdens zo’n aanval kan hij ook gevaarlijk gedrag vertonen zoals wegrennen, door het raam springen, zelfverwondend gedrag vertonen.

Hij verblijft nu op een luwtecel met cameratoezicht.”

4.4.      Uit de indicatiestelling blijkt dat klager zorg nodig heeft, maar het wordt niet duidelijk of en welke forensische zorg is geïndiceerd c.q. hoe een plaatsing in het PPC daaraan kan bijdragen. Daarover is in de indicatiestelling niets opgenomen. In het dossier bevindt zich ook geen andere medische rapportage, behandelplan of iets van vergelijkbare aard, waaruit kan blijken hoe de PPC-plaatsing behulpzaam kan zijn (of al behulpzaam is geweest) bij klagers problematiek.

4.5.      Mede op basis van het selectieadvies dat is overgelegd in het kader van klagers zaak met kenmerk R-19/3939/GB, begrijpt de beroepscommissie wel dat in het PPC meer (verplegend) personeel aanwezig is dat klager kan helpen tijdens of na een aanval, maar klager wordt kennelijk niet behandeld. Plaatsing in een PPC dient in beginsel erop gericht te zijn dat de gedetineerde door middel van forensische (psychische) zorg terug- of doorgeplaatst kan worden. Daarvan lijkt in klagers geval geen sprake.

4.6.      Gelet op het voorgaande moet de bestreden beslissing als onredelijk en onbillijk worden aangemerkt. De beroepscommissie zal het beroep daarom gegrond verklaren en de Minister opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan. Zij ziet geen aanleiding om klager een tegemoetkoming toe te kennen.

5.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt de Minister op met inachtneming van haar uitspraak binnen een termijn van twee weken na ontvangst daarvan een nieuwe beslissing te nemen.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, J.G.A. van den Brand en mr. J.W. Wabeke, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. de Vries, secretaris, op 15 augustus 2019.

            secretaris         voorzitter

Naar boven