Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-19/1601/SGA, 16 mei 2019, schorsing
Uitspraakdatum:16-05-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          : S-19/1601/SGA

Betreft : [verzoeker]                           datum: 16 mei 2019

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. M.C. Pedrotti, namens […], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting Ter Apel. Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 9 mei 2019, inhoudende de intrekking van het bezoek zonder toezicht ingaand op 22 maart 2019 en eindigend op 22 juni 2019. De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 9 mei 2019, van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 10 mei 2019 alsmede van de nadere reactie van verzoekers raadsman van 13 mei 2019.

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval. Uit de inlichtingen van de directeur, wordt voldoende aannemelijk dat verzoeker op 15 maart 2019 betrokken is geweest bij een ernstige vechtpartij. Verzoeker heeft voor deze vechtpartij op 22 maart 2019 een disciplinaire straf opgelegd gekregen. Vanwege verzoekers aandeel in de vechtpartij is volgens de directeur de orde en de veiligheid en de ongestoorde tenuitvoerlegging in gevaar gebracht en verstoord dusdanig dat er een ernstige vertrouwensbreuk is ontstaan die tot op heden niet voldoende gelijmd is. Derhalve heeft de directeur besloten het bezoek zonder toezicht van verzoeker voor een periode van drie maanden in te trekken. Gelet op het feit dat verzoekers betrokkenheid bij de vechtpartij op 22 maart 2019 is vastgesteld en disciplinair is gestraft heeft de directeur per die datum de periode van ontzegging van het bezoek zonder toezicht laten ingaan. Door de directeur is niet aangevoerd dat er een verband bestaat tussen de betrokkenheid van verzoeker bij de vechtpartij op 15 maart 2019 en een eerder of toekomstig bezoek zonder toezicht (vgl. artikel 51, eerste lid, onder b van de Pbw). Evenmin is aangevoerd dat het weigeren van het bezoek zonder toezicht nodig is in verband met de handhaving van de orde en de veiligheid in de inrichting dan wel dat sprake is van een ander in artikel 36, vierde lid, van de Pbw genoemd belang voor het weigeren van bezoek. Tenslotte is niet aangevoerd dat het bezoek zonder toezicht niet overeenkomstig de huisregels van de inrichting kan worden uitgevoerd.  Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat de beslissing van de directeur onvoldoende gemotiveerd is. Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende beklag zal hebben beslist.                                                                                                

Aldus gedaan door mr. J.D. den Hartog, voorzitter, in tegenwoordigheid van bc. L. Vis-van Alff, secretaris, op 16 mei 2019                          

                                                                             

secretaris         voorzitter

 

Naar boven