Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-18/1424/GA, 17 mei 2019, beroep
Uitspraakdatum:17-05-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

nummer:          R-18/1424/GA

betreft: [klager]            datum: 17 mei 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. L.M. Oldenburg, namens […], verder te noemen klaagster, gericht tegen een uitspraak van 25 juli 2018 van de alleensprekende beklagrechter bij Justitieel (JC) Complex Zaanstad, alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht. De beroepscommissie heeft de directeur in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klaagster alsmede haar raadsvrouw mr. L.M. Oldenburg om het beroep schriftelijk toe te lichten. Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1.         De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter

Het beklag betreft de vermissing van drie trainingspakken na meerdere overplaatsingen (ZS-JB-2018-81). De beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2.         De standpunten van klaagster en de directeur

Namens klaagster is in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Klaagster kon niet eerder in beklag gaan wegens de plaatsingen in een afzonderingscel en de overplaatsingen van JC Zaanstad naar de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught, naar de p.i. Zwolle en terug naar JC Zaanstad. Toen klaagster de vermissing van de drie trainingspakken ontdekte, heeft zij dit gemeld aan de p.i.w.-ers in JC Zaanstad. In RSJ 6 januari 2005, 04/2404/GA deed zich een vergelijkbare situatie voor. Daarom zou ook onderhavige vermissing voor rekening en risico van de directeur moeten komen. Namens klaagster wordt verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten en haar een vergoeding van € 50,= toe te kennen. De directeur heeft in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht. De directeur kan zich vinden in de uitspraak van de beklagrechter. In beroep heeft klaagster nog steeds niet duidelijk gemaakt wanneer of bij welke overplaatsing de kledingstukken zijn kwijtgeraakt. Hoewel klaagster de trainingspakken kan omschrijven, is niet vast te stellen dat deze daadwerkelijk in het bezit waren van klaagster.

3.         De beoordeling

Namens klaagster is verzocht het beroep mondeling te mogen toelichten. De beroepscommissie wijst dit verzoek af, omdat de noodzaak van een mondelinge toelichting niet is gebleken. Zij acht zich op basis van de stukken voldoende ingelicht om op het beroep te beslissen.
Nu het klaagschrift niet voldoet aan de eis dat duidelijk moet zijn waar de klacht over gaat (artikel 61, derde lid, van de Pbw), kan klaagster niet in haar klacht worden ontvangen. De beroepscommissie vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter en verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar beklag.

4.         De uitspraak

De beroepscommissie vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart klaagster alsnog niet-ontvankelijk in haar beklag.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. M.M. van der Nat, voorzitter, J.G.A. van den Brand en J. Schagen MA, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. Vogel, secretaris, op 17 mei 2019.

 

                                              secretaris                                                               voorzitter

 

Naar boven