Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 00/1142/TP, 15 november 2000, beroep
Uitspraakdatum:15-11-2000

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 00/1142/TP

betreft: [klager] datum: 15 november 2000

U I T S P R A A K

van de beroepscommissie uit de sectie terbeschikkingstelling van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT), inzake het beroep van

[...], verder te noemen klager,

tegen een beslissing van:

De Minister van Justitie, verder te noemen de Minister.

B E V I N D I N G E N E N O V E R W E G I N G E N :

1. De bestreden beslissing
De Minister heeft de termijn waarin klager wacht op plaatsing in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden (tbs-inrichting) met ingang van 15 juni 2000 verlengd tot 13 september 2000.

2. De procedure
De beroepscommissie heeft kennis genomen van onder meer de navolgende stukken:
- het beroepschrift van klager d.d. 9 juni 2000, en de aanvulling daarop d.d 4 september 2000 van zijn raadsman mr. S.O. Roosjen;
- de schriftelijke inlichtingen en opmerkingen d.d. 9 augustus 2000 van de Minister.

Klager en zijn raadsman alsmede de Minister zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten in beroep schriftelijk nader toe te lichten.

3. De feiten
Klager is bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar én ter beschikking gesteld (tbs) met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts is hij veroordeeld toteen gevangenisstraf van 14 dagen.
Bij brief van 9 februari 1999 heeft de Minister klager meegedeeld dat hij gedurende de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraffen met ingang van 22 december 1998 in aanmerking komt voor vervroegde tenuitvoerlegging van de hemtevens opgelegde tbs en dat hij op laatstgenoemde datum in afwachting van plaatsing in een tbs-inrichting op een wachtlijst is geplaatst.
Bij brief van 5 juni 2000 heeft de Minister klager bericht dat hij nog niet geplaatst kon worden in een tbs-inrichting en dat de wachttermijn voor plaatsing met ingang van 15 juni 2000 met drie maanden is verlengd tot 13 september2000. Klager is terzake niet gehoord.
De datum van invrijheidstelling uit de gevangenisstraffen (v.i.-datum) van klager is 26 april 2000. Aansluitend is een subsidiaire hechtenis van 7 dagen tenuitvoergelegd, waarna klagers tbs op 3 mei 2000 is aangevangen.
Klager verbleef ten tijde van de bestreden beslissing op de beveiligde individuele begeleidingsafdeling van de penitentiaire inrichting (p.i.) "De Wieling", locatie "De Marwei", te Leeuwarden. Hij is van 9 juni 1999 tot 4 augustus1999 ter selectie opgenomen geweest in het Dr. F.S. Meijers Instituut te Utrecht en geselecteerd voor opname in de TBS-Kliniek De Singel te Amsterdam. De Minister heeft bij beschikking d.d. 1 november 1999 besloten klager in dieinrichting te plaatsen. Deze plaatsing is op 13 september 2000 gerealiseerd.

4. De standpunten
4.1. Het standpunt van klager
De bestreden beslissing dient te worden vernietigd, nu deze ziet op een periode die ligt na de aanvang van klagers tbs. Nu de Minister wel een verlengingsbeslissing heeft genomen, had klager daaromtrent gehoord moeten worden. Hemkomt dan ook een tegemoetkoming toe.
Met het oog op een verlenging van de passantentermijn geldt dat gelet op klagers v.i.-datum er nog geen sprake is van een onredelijk lange wachttijd. Wel dient rekening te worden gehouden met zijn wachttijd als Fokkens-passant. Eenandere redenering zou met zich meebrengen dat de regeling met betrekking tot de vervroegde tenuitvoerlegging van de tbs een dode letter wordt.

4.2. Het standpunt van de Minister
De bestreden beslissing is in het licht van de jurisprudentie van de beroepscommissie ten onrechte genomen, nu klagers tbs reeds was aangevangen. Ten tijde van het nemen van de betsreden beslissing was de Minister nog niet van diejurisprudentie op de hoogte.
Het beroep zal ongegrond zijn. Er was ten tijde van het nemen van de beslissing geen sprake van een onredelijk lange wachttijd. De Minister hebben geen signalen bereikt dat klager detentieongeschikt was.

5. De beoordeling
5.1. Ingevolge artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 42 en volgende van de Penitentiaire maatregel, zoals deze luiden vanaf 1 januari 2000 kan een gedetineerde die is veroordeeld tot een gevangenisstraf en aan wie tbsis opgelegd in aanmerking komen voor vervroegde tenuitvoerlegging van de tbs door plaatsing in een tbs-inrichting.

In artikel 76, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (PBW) is bepaald dat een dergelijke plaatsing geschiedt binnen een termijn van zes maanden na de beslissing tot vervroegde tenuitvoerlegging van de tbs.
Volgens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel kan de Minister, als plaatsing binnen de termijn van zes maanden naar het oordeel van de Minister niet mogelijk is, rekening houdende met de in artikel 11 BVT genoemde eisen, dewachttermijn voor plaatsing in een tbs-inrichting daarna met telkens drie maanden verlengen.

Krachtens het bepaalde in artikel 12, eerste en tweede lid, BVT geschiedt de plaatsing van een tbs-gestelde voordat de termijn van de tbs zes maanden heeft gelopen en kan de Minister deze termijn telkens met drie maanden verlengenals hij van oordeel is dat de plaatsing niet binnen zes maanden na aanvang van de tbs mogelijk is, rekening houdende met de in artikel 11, tweede lid, BVT gestelde eisen.

5.2. De Minister heeft in het onderhavige geval beslist tot verlenging van de wachttermijn voor plaatsing van klager in een tbs-inrichting met ingang van 15 juni 2000 op grond van artikel 76 PBW, terwijl op 26 april 2000 klagersv.i.-datum lag en, na een subsidiaire hechtenis van 7 dagen, op 3 mei 2000 aansluitend zijn tbs is aangevangen. Vanaf laatstgenoemde datum lag er geen gevangenisstraf meer ten grondslag aan het verblijf van klager in een p.i. inafwachting van zijn plaatsing in een tbs-inrichting. Klager moet derhalve sinds 3 mei 2000 worden aangemerkt als een tbs-passant in de zin van artikel 12 BVT. Dit brengt mee dat hij binnen zes maanden na 3 mei 2000 geplaatst moetworden in een tbs-inrichting en dat, indien plaatsing binnen die termijn niet mogelijk is, de termijn vanaf dat moment kan worden verlengd op grond van artikel 12 BVT.
De bepalingen van artikel 76 PBW en artikel 12 BVT in onderlinge samenhang en verband bezien, is de beroepscommissie van oordeel dat geen verlenging van de wachttermijn op grond van artikel 76 PBW meer kon plaatsvinden na 3 mei2000. In die zin dient de bestreden beslissing te worden vernietigd.

5.3. Van een verlenging van de passantentermijn als bedoeld in artikel 12 BVT kon ten tijde van de bestreden beslissing nog geen sprake zijn, omdat toen nog geen zes maanden sedert de aanvang van de tbs waren verstreken.
De huidige wetgeving voorziet niet in een beroepsmogelijkheid in de periode die is gelegen tussen de wettelijk laatst mogelijke verlenging krachtens artikel 76 PBW en de eerst mogelijke verlenging krachtens artikel 12 BVT. Deberoepscommissie is van oordeel dat bij het ontbreken van een beroepsmogelijkheid het in gevallen als het onderhavige van essentieel belang is dat de Minister door zowel het Psycho Medisch Overleg van de p.i. van klagers verblijfals een externe (forensisch) psychiater op de hoogte wordt gehouden van de psychische conditie van de betrokken tbs-passant. Klager is op 21 juli 2000 door de FPD te Groningen onderzocht. In de daarop gebaseerde medische verklaringd.d. 2 augustus 2000 is geconcludeerd dat er geen onoverkomelijke bezwaren zijn tegen voortzetting van klagers verblijf als tbs-passant in een p.i., hoewel dat verblijf als onredelijk kan worden gezien en in die zin ook psychischbelastend is voor klager. Klager verblijft inmiddels sedert 13 september 2000 in de TBS-Kliniek De Singel te Amsterdam.

5.4. De bestreden beslissing dient op formele grond te worden vernietigd. De beroepscommissie ziet geen aanleiding voor het deswege toekennen van een tegemoetkoming aan klager naar aanleiding van hetgeen in 5.3. is overwogen, nu deonjuiste toepassing van de wet door de Minister voor klager geen onzekerheid met zich mee heeft gebracht of feitelijk relevante rechtsgevolgen heeft die niet meer ongedaan zijn te maken. Mitsdien bestaat evenmin aanleiding klagereen tegemoetkoming te bieden vanwege de omstandigheid dat de Minister klager niet heeft gehoord alvorens de verlengingsbeslissing te nemen die de Minister niet mocht nemen.

5.5. Gelet op het hiervoor overwogene, komt de beroepscommissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beslissing.

5.6. Ten overvloede overweegt de beroepscommissie dat het niet in strijd is met de wet noch onredelijk of onbillijk om de duur van de wachttijd als bedoeld in artikel 76 PBW niet mee te tellen bij de duur van de passantentermijn alsbedoeld in artikel 12 BVT. De Fokkens-regeling wordt daarmee geen dode letter, zoals namens klager is aangevoerd. Deze regeling geeft immers geen onaantastbaar recht op plaatsing, maar bewerkstelligt wel dat de selectieprocedurevoor de plaatsing in een tbs-inrichting eerder een aanvang neemt dan het geval zou zijn wanneer de procedures voor selectie en plaatsing pas gestart zouden worden na het verstrijken van de datum van invrijheidsstelling enaansluitende aanvang van de tbs. Dit effect heeft klager ondervonden: hij is reeds vier maanden na aanvang van de tbs daadwerkelijk in een tbs-inrichting geplaatst.

Op grond van het overwogene komt de beroepscommissie tot de volgende beslissing.

6. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond op formele grond en vernietigt de bestreden beslissing.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, mr. S.L. Donker en prof. dr. L.A.J.M. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W. Bevaart, secretaris, op 15 november 2000.

secretaris voorzitter

Naar boven