Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-18/1152/GM, 25 maart 2019, beroep
Uitspraakdatum:25-03-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

nummer:          R-18/1152/GM

betreft: [klager]            datum: 25 maart 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. C.M.P. Jongsma, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen medisch handelen door of namens de tandarts verbonden aan de penitentiaire inrichting (p.i.) Krimpen aan den IJssel,  alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 4 juni 2018 van de bemiddeling door de tandheelkundig adviseur bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Ter zitting van de beroepscommissie van 26 februari 2019, gehouden in het Justitieel Complex Zaanstad, is klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.B.O. van Soest, gehoord. De tandarts verbonden aan de p.i. Krimpen aan den IJssel heeft schriftelijk laten weten verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen. Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:       

1.         De inhoud van het beroep

De klacht, zoals neergelegd in het verzoek om bemiddeling aan de tandheelkundig adviseur van 30 april 2018, betreft het niet verlenen van voldoende zorg met betrekking tot klagers gebitsprothese.

2.         De standpunten van klager en de tandarts

Door en namens klager is de klacht als volgt toegelicht. Klager ondervindt als maandenlang pijn aan zijn gebit. Klagers tanden en kiezen zijn getrokken en hij heeft een noodgebit ontvangen. Dit gebit is te zwaar en daardoor pijnlijk geworden om nog langer te gebruiken. Klager kan niet eten en ook praten wordt met de dag moeilijker. Klager wordt door de medische dienst niet geholpen omdat hij nog niet één jaar is gedetineerd. Een wettelijke basis voor deze eis ontbreekt. Klager heeft daarentegen recht op medische zorg, waaronder ook tandheelkundige zorg valt. Dit recht is geschonden. Klager heeft nog steeds geen passend kunstgebit. Klagers tanden en kiezen zijn in maart 2017 toen klager nog niet was gedetineerd getrokken. De gebitsprothese die klager toen heeft gekregen, heeft hij nog steeds. Klager is in december 2017 gedetineerd geraakt. Klager bevreemdt zich erover dat wordt verwezen naar een minimale periode van een jaar detentie. Klager is gedetineerd omdat hij werd verdacht van een zwaar delict, dit was bekend bij de inrichting. Men had dus begin 2018 nog niet een jaar hoeven te wachten. Klager is inmiddels veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar. Als de raadsman van klager bij hem op bezoek komt, moet klager eerst zijn noodgebit uitdoen. Het eten moet hij eerst fijnsnijden. De tandarts heeft het volgende standpunt ingenomen. Klager heeft op 25 januari en 20 april 2018 de tandarts bezocht. Bij klager zijn geen natuurlijke gebitselementen aanwezig en is in het bezit van een gebitsprothese. Van een ‘noodgebit’ is geen sprake. Op 25 januari 2018 is hij behandeld en is zijn kunstgebit aangepast. Op 20 april 2018 heeft klager behandeling, bestaande uit het aanpassen van zijn bestaande gebitsprothese, geweigerd. Aan klager is medische zorg verleend. De stelling dat klager niet behandeld zou worden, is niet juist. Het Vademecum verstrekkingenpakket medische zorg DJI voorziet in mondzorg. Dat een gebitsprothese in de periode na het extraheren van gebitselementen aangepast zou moeten worden, past bij de situatie die gebruikelijk is na een dergelijke ingreep (extracties). In een dergelijke behandeling is voorzien en kan ook in de toekomst voorzien worden. De tandarts heeft opgemerkt dat de (functionele) verwachtingen van een gebitsprothese in veel gevallen (onrealistisch) hoog gespannen zijn. Een gebitsprothese vergt een lange periode van gewenning en zal qua functie een normale ‘eigen’ dentitie niet kunnen ervaren. Klager kan zich melden bij de medische dienst voor behandeling door de tandarts.

3.         De beoordeling

Uit de stukken, waaronder het medisch dossier en de tandartskaart, blijkt dat vóór klagers detentie per december 2017 zijn tanden en kiezen in maart 2017 zijn getrokken. Klager is op 25 januari 2018 gezien door de inrichtingstandarts en op 26 januari 2018 is zijn prothese gerebased. Op 20 april 2018 is klager wederom gezien door de inrichtingstandarts. Klager heeft verzocht om een overkappingsprothese op implantaten. Klager heeft afgezien van de mogelijkheid zijn prothese in te slijpen of aan te passen. Hoewel de inrichtingstandarts de kans op goedkeuring voor de prothese zeer klein inschatte, heeft de tandarts een aanvraag voor een machtiging ingediend bij de tandheelkundig adviseur van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Op 23 april 2018 is de aanvraag door de tandheelkundig adviseur afgewezen, met als reden dat het een bestaande situatie betreft en klager nog niet is afgestraft. De beslissing tot afwijzing van de machtiging tot het verrichten van de door klager gewenste tandheelkundige handeling is genomen door de tandheelkundig adviseur en niet door de inrichtingstandarts. Het medisch beklagrecht van de Pm staat alleen open tegen beslissingen van de medisch of tandheelkundig adviseur. Klager kan daarom in zoverre niet in zijn klacht worden ontvangen. Ter beoordeling staat alleen nog de vraag open of de inrichtingstandarts adequate zorg heeft verleend ten aanzien van de door klager ervaren klachten aan zijn prothese. De beroepscommissie beantwoordt deze vraag bevestigend. Klager is gezien door de inrichtingstandarts die binnen de grenzen van het Verstrekkingenpakket medische zorg van de Dienst Justitiële Inrichtingen 2018 de nodige zorg heeft verleend. Dat de machtiging voor een nieuwe prothese door de tandheelkundig adviseur is afgewezen kan de inrichtingstandarts niet worden verweten. Het beroep zal in zoverre ongegrond worden verklaard.

4.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek door de tandheelkundig adviseur voor een overkappingsprothese op implantaten. Zij verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. M.J.C. Koens, voorzitter, drs. K.M.P.A.M. Habryka en dr. H.J.P. Kroeze, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kokee, secretaris, op 25 maart 2019

 

 

            secretaris         voorzitter

 

 

 

 

Naar boven