Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-18/2011/GB, 17 januari 2019, beroep
Uitspraakdatum:17-01-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer:         R-18/2011/GB

Betreft:            [Klager]           datum: 17 januari 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van [Klager], verder te noemen klager, gericht tegen een op 17 oktober 2018 genomen beslissing van de selectiefunctionaris, en van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Klager is, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.E. Olthof, op 14 december 2018 door een lid van de Raad gehoord. Voorts zijn de selectiefunctionarissen mevrouw […] en mevrouw […] gehoord.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

De selectiefunctionaris heeft op 17 oktober 2018 beslist tot verlenging van klagers plaatsing in de extra beveiligde inrichting (EBI) van de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught.

2.         De feiten

Klager is sinds 25 februari 2013 gedetineerd. Op 10 mei 2016 heeft het gerechtshof klager veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren in verband met een liquidatie in oktober 2012 te Antwerpen. Bij beslissing van 25 oktober 2017 is klager geplaatst in de EBI te Vught. De fictieve einddatum van klagers detentie is 30 augustus 2021.

3.         De standpunten

3.1.      Door en namens klager is het beroep als volgt – kort en zakelijk weergegeven –toegelicht. Volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie moet plaatsing in de EBI gezien worden als ultimum remedium (RSJ 3 september 2018, R-404 en RSJ 8 oktober 2018, R-376). Bij elke verlenging moet worden onderbouwd waarom niet met een milder regime kan worden volstaan. Bij een voortdurend verblijf zal een groter belang worden gehecht aan de actualiteit, de concreetheid, de volledigheid en de betrouwbaarheid van de overgelegde informatie. Het enkele vluchtgevaar is op zichzelf onvoldoende om telkens een verlenging in de EBI te rechtvaardigen.

In de beslissing tot verlenging genomen op 17 oktober 2018 wordt hoofdzakelijk gewezen op informatie die ook ten grondslag werd gelegd bij de eerdere verlengbeslissing van 11 april 2018. Daarnaast wordt bij de beslissing gewezen op het gevaar van liquidatie van klager. Die informatie is afkomstig van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP), opgemaakt in een rapport van 17 oktober 2017. Die informatie volgt weer uit een rapport van januari 2016. Dat is inmiddels bijna drie jaar geleden. In de verlenging wordt ook gewezen op de vermeende vluchtpoging. Dat is inmiddels langer dan een jaar geleden. Verder wordt wederom gewezen op het verondersteld verstoren van geluidsopnamen tijdens telefoongesprekken en bezoekuren door bijvoorbeeld hard te lachen. Dit laatste kwam naar voren in het GRIP-rapport van 29 maart 2018 en uit dit rapport blijkt niet wanneer klager daadwerkelijk versluierde boodschappen doorgaf of probeerde te geven.

Het enige nieuwe dat wordt toegevoegd aan de beslissing van 17 oktober 2018 ten opzichte van de beslissing van 11 april 2018 is een GRIP-rapport van 10 oktober 2018, waarin staat dat het Openbaar Ministerie (OM) een vordering indient om de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van klager in te trekken. Het voorgaande zegt evenwel niets over het huidige vluchtgevaar. Over de laatste zes maanden is voor het overige geen nieuwe informatie bekend. Er wordt bijvoorbeeld niet geschreven dat klager in de afgelopen zes maanden versluierd zou hebben gesproken tijdens telefoongesprekken of tijdens bezoekmomenten. Ook is geen nieuwe informatie bekend dat nog steeds sprake is van een liquidatiedreiging. Het lijkt alsof niet inhoudelijk wordt getoetst of een verlenging in de EBI nog kan worden gerechtvaardigd, maar dat slechts oude informatie tot een nieuwe verlenging in de EBI leidt. De verlengbeslissing is niet deugdelijk onderbouwd. Ten slotte wordt niet beoordeeld of klager naar een milder regime geplaatst kan worden.

De reden dat klager weleens binnensmonds sprak, was dat hij een lange tijd eenzaam op zijn cel moest verblijven. Dat vond hij erg vervelend. Hij raakte soms snel geïrriteerd om de kleinste dingen – zoals een deur die niet snel genoeg openging – en hij verloor weleens zijn zelfbeheersing. Het lukte hem ook niet meer normaal te praten. Hij had dat zelf niet door, maar diverse mensen, onder wie een rechter, wees hem hierop. Daarnaast is geen sprake van liquidatiegevaar meer. Dat laatste dateert uit 2012. Ten slotte is het onjuist te veronderstellen dat klager betrokken is bij de verijdelde helikopterontsnapping. Klager wordt hiervoor ook niet vervolgd.

Nu de beslissing van de selectiefunctionaris niet deugdelijk is onderbouwd, wordt dan ook verzocht het beroep gegrond te verklaren en aan klager een tegemoetkoming toe te kennen.

3.2.      De selectiefunctionaris heeft de bestreden beslissing als volgt – kort en zakelijk weergegeven – toegelicht. Klager voldoet aan de criteria voor plaatsing in de EBI zoals bedoeld in artikel 6 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling) om de navolgende redenen. Klager maakt deel uit van de zogenaamde Mocro-oorlog en heeft een prominente rol in dit crimineel samenwerkingsverband. De verlenging is – behalve op de stukken in het dossier – gebaseerd op het GRIP-rapport van 29 maart 2018. In dit rapport worden niet alleen de onderzoeksresultaten naar de verijdelde vluchtpoging met behulp van een helikopter vermeld, maar wordt eveneens gerapporteerd over de actieve rol die klager daarbij heeft gespeeld. Klager stelt dat hij niet wordt vervolgd voor de ontsnapping vanuit de p.i. Het ontsnappen of een poging daartoe uit een p.i. levert geen strafbaar feit op. Het OM heeft evenwel duidelijk laten blijken dat klager een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vluchtpoging. In het GRIP-rapport van 10 oktober 2018 wordt gerapporteerd dat het OM voornemens is de v.i. van klager in te trekken. In dat geval dient klager nog een derde van de opgelegde twaalf jaren uit te zitten. Uit de op 26 november 2018 ontvangen informatie van het GRIP blijkt dat het verzoek van het OM tot intrekking van de v.i. door de commissie Vervroegde Voorwaardelijke invrijheidstelling is goedgekeurd. De vordering wordt vervolgens bij de rechtbank ingediend. Klager hoort gedragsmatig niet thuis in een BPG-regime. Bovendien kan daarmee het risico op ontvluchting of mogelijk voortgezet crimineel handelen niet worden voorkomen, doordat klager derden kan inschakelen. Door verlenging van het verblijf van klager in de EBI kunnen gedragingen, uitlatingen en contacten van klager optimaal worden gemonitord. Daarmee kan ook het mogelijk voortzetten van of het deelnemen aan een samenwerkingsverband dat het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, worden voorkomen. Gelet op het vorenstaande is sprake van een actueel extreem vluchtrisico en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico (hetgeen mede voortvloeit uit het liquidatiegevaar). Daarnaast is sprake van mogelijk voortgezet crimineel handelen. Nu alleen plaatsing in de EBI volstaat om deze risico’s uit te sluiten, verzoekt de selectiefunctionaris het beroep gericht tegen de bestreden beslissing van 17 oktober 2018 ongegrond te verklaren.

4.         De beoordeling

4.1.      De EBI is aangewezen als huis van bewaring en gevangenis voor mannen met een regime van beperkte gemeenschap, een individueel regime en een extra beveiligingsniveau.

4.2.      Ingevolge artikel 6 van de Regeling kunnen in de EBI gedetineerden worden geplaatst die:

a. een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, of:
b. bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen, waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt is;
c. een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van aanwijzingen van voortgezet crimineel handelen.

4.3.      Artikel 26 van de Regeling noemt de voorwaarden die in acht dienen te worden genomen bij de beslissing tot plaatsing in de EBI en de beslissing tot verlenging van het verblijf in een EBI elke zes maanden daarna.

4.4.      De beroepscommissie heeft in RSJ 17 januari 2019, R-18/1230/GB het volgende overwogen:

“De beroepscommissie acht op basis van het dossier voldoende aannemelijk dat een extreem gevaar voor ontvluchting is te duchten en dat sprake is van een onaanvaardbaar maatschappelijk risico in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, zodat klager voldoet aan het criterium voor plaatsing in de EBI zoals bedoeld in artikel 6, onder a, van de Regeling. De beroepscommissie neemt hierbij in het bijzonder in overweging de verijdelde ontsnappingspoging met behulp van een helikopter, het opzettelijk onverstaanbaar maken van telefoongesprekken en bezoekmomenten doordat klager regelmatig binnensmonds praat en ogenschijnlijk zonder aanleiding hard gaat lachen. Daarnaast maakt klager gebruik van gebaren, spreekt niet aaneengesloten maar geknipt, spreekt een ander dan de aangemelde persoon op de achtergrond mee, worden er tijdens telefoongesprekken en bezoekmomenten boodschappen doorgegeven, wordt er dreigende taal geuit en ontvangt klager mails met daarin foto’s van ‘tegenstanders’.”

4.5.      Vorenbedoelde feiten en omstandigheden – deze lagen ook ten grondslag aan de verlengingsbeslissing van 11 april 2018 – gelden nog onverkort in onderhavige beslissing. Dat geldt ook voor de verijdelde ontsnappingspoging met behulp van een helikopter. Weliswaar is die vanuit de EBI niet mogelijk, maar als klager elders zou worden geplaatst, zou een dergelijke ontsnapping opnieuw kunnen plaatshebben. Anders dan de raadsman betoogt, zijn de feiten en omstandigheden met betrekking tot de eerdergenoemde vluchtpoging dus nog steeds zeer actueel en relevant om een verlenging te rechtvaardigen. De op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris kan derhalve, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

 

5.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

 

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, mr. A.T. Bol en J.G.A. van den Brand, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Groot, secretaris, op 17 januari 2019.

 

            secretaris         voorzitter

 

 

Naar boven