Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-18/1647/GB, 14 februari 2019, beroep
Uitspraakdatum:14-02-2019Versie:vergelijk
Vergelijk versie 2 met:
Vergelijk met versie: 1  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer: R-18/1647/GB

Betreft: [klager] datum: 14 februari 2019

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. L.J.B.G. van Kleef en mr. L.A.C. ter Steeg, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen een op 17 september 2018 genomen beslissing van de selectiefunctionaris, alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 23 november 2018, gehouden in de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. L.J.B.G. van Kleef.

Van dit horen is een verslag van horen opgemaakt welke is verzonden aan partijen. Hierop is op 20 december 2018 een reactie binnengekomen van de selectiefunctionaris en op 21 december 2018 en op 28 december 2018 een reactie van klagers raadsman, mr. L.J.B.G. van Kleef.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing

De selectiefunctionaris heeft beslist tot plaatsing van klager in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) van de p.i. Vught.

2. De feiten

Klager is sedert 22 maart 2018 gedetineerd. Hij verbleef in het huis van bewaring (h.v.b.) van de p.i. Vught. Op 10 april 2018 is hij geplaatst in de EBI, waar een regime van beperkte gemeenschap, alsmede een individueel regime geldt. Klager is hiertegen in beroep gegaan, welk beroep gegrond is verklaard op grond van een motiveringsgebrek waarbij de selectiefunctionaris is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen (RSJ 3 september 2018, R-404). Tegen de nieuwe beslissing is onderhavig beroep gericht.

3. De standpunten

3.1. Door en namens klager is het beroep als volgt toegelicht. De beslissing van 17 september 2018 is grotendeels gebaseerd op de gronden zoals die reeds in de oorspronkelijke beslissing werden beschreven. Nog steeds is geen sprake van actuele, concrete informatie die duidt op een ontvluchting. Tevens is geen sprake van een voldoende inkleuring van de twee criteria van artikel 6 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (hierna: de Regeling). In de beslissing wordt kenbaar gemaakt dat klager een uitbreiding wacht van de aan hem ten laste gelegde feiten. Klager is nog niet gehoord als verdachte in een nieuwe zaak, waarin liquidaties centraal staan. Er is nog geen vordering van een

uitbreiding van de voorlopige hechtenis gedaan. Door de selectiefunctionaris wordt gespeculeerd over een levenslange gevangenisstraf in een strafzaak met

een verdenking waarvan noch klager noch zijn advocaten op de hoogte zijn gesteld. Wederom is niet gebleken dat door de selectiefunctionaris is gekeken naar alternatieven voor een EBI-plaatsing. Niet gebleken is dat nu onderzoek is verricht naar (minder ingrijpende) alternatieven, ondanks dat de Raad daartoe in haar beslissing van 3 september 2018 (R-404) expliciet opdracht heeft gegeven. Vastgehouden dient te worden aan de wettelijke vereisten die gelden voor de zeer ingrijpende maatregel van een EBI-plaatsing.

Klager is van mening dat het regime waarin hij thans verblijft te zwaar is voor de feiten die hem worden verweten. Klager heeft momenteel alleen contact met zijn bewakers, die overigens correct met hem omgaan. Klager wenst echter ook graag omgang met andere personen en hij wenst ook te kunnen sporten. Klager voelt zich geïsoleerd en eenzaam. Zijn familie lijdt ook onder het feit dat hij gedetineerd zit in de EBI.

Op 21 december 2018 heeft klagers raadsman aan de Raad bericht dat inmiddels is gebleken dat er geen uitbreiding van de verdenking heeft plaatsgevonden en dat geen sprake is van een verwijt van het geven van opdrachten tot liquidaties. Wel is de inhoud van de verweten criminele organisatie aangevuld met het oogmerk moord daar waar er aanvankelijk alleen witwassen en wapens in stond. Dit betekent echter dat nog steeds enkel sprake is van verdenkingen ex artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 11 a van de Opiumwet en witwassen. Derhalve is geen sprake van een mogelijkheid van een hogere strafeis, aangezien de maximaal op te leggen straf ex artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht in relatie tot de andere feiten onveranderd blijft. De stelling van het Openbaar Ministerie (OM) die in haar visie de verlenging van de EBI-plaatsing diende te beargumenteren wordt niet waargemaakt. Het strafmaximum is wat het was en een verhoogd vluchtgevaar kan derhalve niet langer worden beargumenteerd.

Op 28 december 2018 heeft klagers raadsman aan de Raad bericht dat op de zitting in de strafzaak tegen klager van 12 december 2018 de officier van justitie heeft aangegeven dat aan Chili een aanvulling op de uitlevering zal worden gevraagd voor (voorbereiding) van uitlokking van moord. Desgevraagd kon de officier van justitie niet aangeven welke feiten het dan zou moeten betreffen. Dit betekent dat er geen concrete verdenking kan worden geformuleerd, dat overigens nog geen – nader – verzoek om uitlevering is geformuleerd en dat niet bekend is wanneer dit – aanvullende – verzoek zal worden gedaan. Het betekent dat de selectiefunctionaris de Raad verzoekt om zonder enig feit of formulering van enig aan Chili te richten verzoek de verlenging van de EBI-plaatsing te accorderen. Met betrekking tot de alternatieven voor de EBI, herhaalt de selectiefunctionaris, dat plaatsing op de lijst gedetineerden met een vlucht- en maatschappelijk risico (hierna: GVM-lijst) tot gevolg kan hebben dat “anderen voor hem bellen of post versturen”, waardoor “risico op ontvluchting en het onaanvaardbaar risico allerminst kan worden uitgesloten”.

3.2. De selectiefunctionaris heeft de bestreden beslissing als volgt toegelicht.

Uit de beslissing van de selectiefunctionaris en de daaraan ten grondslag liggende rapportage van het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP) blijkt dat de

ernst en de waarschijnlijkheid dat een ontvluchting kan plaatsvinden is toegenomen, gelet op de toenemende verdenkingen van ernstige strafbare feiten tegen klager en de daarmee samenhangende toenemende kans dat hij een levenslange gevangenisstraf tegemoet kan zien. Daarnaast beschikt klager over geld, macht en middelen waardoor hij hulp zal kunnen organiseren bij een eventuele ontvluchting. Klager heeft de middelen om lange tijd onder de radar

van de autoriteiten te blijven. Voor plaatsing in de beveiligde setting van een EBI gaat het om een risico-inschatting, er is niet vereist dat sprake is van

daadwerkelijk aanwijsbare handelingen van klager of derden dat een ontvluchtingspoging wordt voorbereid. De informatie op grond waarvan het risico wordt ingeschat is wel actueel en concreet. Daarnaast voldoet klager aan het criterium dat hij een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormt in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten. Dat risico bestaat vanwege de delicten waar klager van wordt verdacht, namelijk deelname aan een crimineel samenwerkingsverband dat zich bezig houdt met internationale handel in verdovende middelen en witwassen. Klager is tevens verwikkeld in de zogenaamde Mocro-oorlog, waarbij diverse partijen er belang bij hebben hem te liquideren. Aard, context en ernst van het in dit verband gepleegde geweld hebben de maatschappij reeds ernstig geschokt, hetgeen ook moge blijken uit de enorme media-aandacht voor de zaak. Uit bijgevoegde informatie van het OM van 2 oktober 2018 blijkt dat wel degelijk dat sprake is van nieuwe verdenkingen tegen klager. Het OM heeft bericht dat het onderzoek naar de uitbreiding van de verdenkingen tegen klager in volle gang is: het onderzoek heeft de hoogste prioriteit. De verwachting is dat nog meer relevante informatie voor de uitbreiding van de feiten zal worden vergaard. Het voornemen van het OM is de verdenking op zo kort mogelijke termijn uit te breiden, hopelijk voor de volgende pro forma zitting in december dit jaar. Een uitbreiding zal zorgen voor een hogere strafeis, waardoor het vluchtgevaar alleen maar toeneemt.

In de beslissing van de selectiefunctionaris van 17 september 2018, heeft een afweging plaatsgevonden of klager in een minder restrictief regime kan worden geplaatst. Uit de beslissing blijkt dat het monitoren van de contacten van betrokkene in een reguliere inrichting, ook met het opleggen van beperkende maatregelen, zoals controle op post, telefoon en bezoek vrijwel niet mogelijk is. In een regime van beperkte gemeenschap kan hij contacten onderhouden met medegedetineerden, waarbij niet uit te sluiten is dat hij die inzet om contacten te onderhouden met derden. Hierdoor valt het risico op ontvluchting en bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico, niet uit te sluiten. Ook plaatsing op een afdeling voor beheersproblematische gedetineerden (hierna: de BPG-afdeling) sluit dit risico niet uit. Klager is bovendien niet beheers problematisch, zodat ook in dat opzicht plaatsing op de BPG-afdeling niet aan de orde is. Alleen plaatsing in de EBI als ultimum remedium volstaat om het vluchtrisico en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico (waaronder het risico op maatschappelijke onrust), in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, tot een minimum te beperken.

Op 20 december 2018 heeft de selectiefunctionaris per e-mailbericht gereageerd op het opgemaakte verslag van horen. De selectiefunctionaris voert hierin – onder meer – aan dat uit de van het OM ontvangen informatie na de zitting van 12 december 2018 volgt dat de rechter de vordering tot uitbreiding van de tenlastelegging met gepleegde liquidaties in verband met artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht heeft toegewezen. Zodra toestemming vanuit Chili wordt verkregen voor aanvullende uitlevering, zal de tenlastelegging nog verder worden uitgebreid. Klager hangt met deze uitbreiding een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd. Alle feiten in onderlinge samenhang bezien zal het risico op ontvluchting hierdoor sterk toenemen.

Bij het plaatsen van een gedetineerde in de EBI gaat het om een risico-inschatting met betrekking tot het vluchtrisico en het maatschappelijke risico. Niet is vereist dat sprake is van daadwerkelijk aanwijsbare handelingen van klager of derden dat

een ontvluchtingspoging wordt voorbereid. De informatie op grond waarvan in casu het risico wordt ingeschat is actueel, concreet en deels nieuw.

Klager ontvangt elke week bezoek van zijn familie of vriendin (als ze weer in Nederland zijn) en belt hen regelmatig, hij schrijft enorm veel, ook via e-mails en hij ontvangt ook erg veel post van familie en vrienden. Klager heeft een aanvraag gedaan voor bezoek zonder glas. Deze aanvraag is gehonoreerd en heeft ook plaatsgevonden. Klager neemt deel aan de geboden activiteiten, hier maakt fitness onderdeel van uit. Verder heeft klager, onder andere, regelmatig een gesprek met de geestelijk verzorger, gesprekken met de psychologe en al veel bezoek en telefonisch contact gehad met zijn advocaat. Klager heeft dus omgang met andere personen en sport ook.

4. De beoordeling

4.1. De EBI is aangewezen als h.v.b. en gevangenis voor mannen en vrouwen met een regime van beperkte gemeenschap, een individueel regime en een extra beveiligingsniveau.

4.2. Ten tijde van de te nemen beslissing konden op grond van artikel 6 van de Regeling gedetineerden in de EBI worden geplaatst die:

a. een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, of:

b. bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen, waarbij het vluchtrisico als zodanig hieraan ondergeschikt is.

4.3. Artikel 26 van de Regeling noemt de voorwaarden die in acht dienen te worden genomen bij de beslissing tot plaatsing in de EBI en de beslissing tot verlenging van het verblijf in de EBI elke zes maanden daarna.

4.4. Een plaatsing in de EBI dient als een ultimum remedium te worden aangemerkt. Het karakter van een dergelijke uiterste maatregel brengt mee dat deze niet eerder kan worden toegepast dan na afweging van andere, in het bijzonder minder ingrijpende alternatieven. De selectiefunctionaris heeft in haar beslissing kenbaar gemaakt waarom een minder ingrijpend alternatief thans niet mogelijk is en dat alleen plaatsing in de EBI als ultimum remedium volstaat om het vluchtrisico en risico op maatschappelijke onrust in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten tot een minimum te beperken.

4.5. De beroepscommissie stelt vast dat uit de reactie van de selectiefunctionaris alsmede van klagers raadsman op het verslag van horen volgt dat de tenlastelegging van hetgeen aan klager wordt verweten inmiddels is uitgebreid. Aan klager is thans ten laste gelegd deelname aan een criminele organisatie, waarbij de deelname van de criminele organisatie ook ziet op moord.

4.6. De beroepscommissie dient te beoordelen of de bestreden beslissing op grond van de toen beschikbare informatie als niet onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt. Het onderhavige beroep richt zich tegen een, in opdracht van de beroepscommissie genomen nieuwe beslissing van de selectiefunctionaris.

Uit de aan het dossier toegevoegde rapportage van het GRIP van 14 september 2018 volgt dat, hoewel er op dit moment geen actuele concrete informatie is dat klager zal ontvluchten tijdens klagers detentie in Nederland, de ernst en waarschijnlijkheid zijn toegenomen. Dat op dit moment sprake is van een extreem vluchtrisico is naar het oordeel van de beroepscommissie voldoende aannemelijk geworden op grond van de omstandigheid dat klager over geld, macht en middelen beschikt om hulp te kunnen organiseren bij een mogelijke ontvluchting en het lange tijd onder de radar te blijven, volgens informatie kan beschikken over valse legitimatiebewijzen en over een huis in Dubai zou beschikken, een en ander in onderling verband en samenhang bezien. Voorts heeft klager zes advocaten ter beschikking gehad om uitlevering aan Nederland te voorkomen.

Bovendien acht de beroepscommissie van belang te letten op de informatie over het verloop van de zogenoemde Mocro-oorlog en de daarin plaatsgevonden liquidaties, kennelijk telkens met het oogmerk van collusie door het doen verdwijnen van mogelijke belastende getuigen of hen onder druk te zetten, in het kader waarvan klager zowel opdrachtgever als -na ontvluchting- slachtoffer zou kunnen zijn.

Uit al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van de beroepscommissie aannemelijk geworden dat ook sprake is van een onaanvaardbaar maatschappelijk risico bij klager in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, als bedoeld in artikel 6 onder a van de Regeling.

4.7. Alles afwegende is de beroepscommissie dan ook van oordeel dat de op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, thans niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt. Hetgeen klager heeft aangevoerd over de bezoekmogelijkheden is onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te kunnen komen, nu blijkens de stukken klager wekelijks bezoek ontvangt van zijn familie of vriendin (als zij in Nederland zijn). Daarnaast heeft klager een aanvraag gedaan voor bezoek zonder glas, welke aanvraag is gehonoreerd en ook heeft plaatsgevonden.

De beroepscommissie overweegt ten overvloede dat bij, indien daarvan sprake is, een verlenging van het verblijf van klager in de EBI telkens dient te worden beoordeeld of de plaatsing in de EBI nog proportioneel en nodig is of dat (al dan niet met toepassing van specifieke beveiligingsmaatregelen) met plaatsing in een inrichting met een minder beperkend regime kan worden volstaan.

5. Uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. A.T. Bol en J.G.A. van den Brand, leden, in tegenwoordigheid van

mr. L.E.M. Meekenkamp, secretaris, op 14 februari 2019.

secretaris voorzitter

Naar boven