Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-708, 15 november 2018, schorsing
Uitspraakdatum:15-11-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

DBT  v

Nummer          : S-708

Betreft : [verzoeker]    datum: 15 november 2018

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. F.W.M. Hopmans, namens […], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 6 november 2018, inhoudende de terugplaatsing van verzoeker in het basisprogramma (degradatie) per 6 november 2018.

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 13 november 2018 alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 14 november 2018.

 

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval.

Bij het nemen van een beslissing tot terugplaatsing van een gedetineerde in het basisprogramma (degradatiebeslissing) dient de directeur volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie het gedrag te benoemen dat tot de bestreden beslissing leidt en een kenbare belangenafweging te maken. Uit de inlichtingen van de directeur volgt dat aan verzoeker op 19 oktober 2018 een rapport is aangezegd voor het in het bezit hebben van een houten steekwapen. Voor deze gedraging is verzoeker een disciplinaire straf opgelegd. Eveneens volgt uit de bestreden beslissing dat bij verzoeker een door hemzelf vervaardigd mes op zijn lichaam is aangetroffen. Verzoeker heeft enkel aangegeven dat hij zichzelf moet beschermen, maar geeft daarbij verder geen inzicht in zijn gedachten zodat er geen inschatting gemaakt kan worden van zijn gemoedstoestand. Dit brengt de veiligheid van personeel en medegedetineerden in gevaar zodat verzoeker thans in afzondering verblijft om escalatie te voorkomen. Zodoende is klagers gedrag op het onderdeel ‘stimuleren en ontmoedigen’ als ‘rood’ aangemerkt op de onderdelen ‘gedrag’ en ‘omgaan met spanning en conflicten’. Blijkens de inlichtingen van de directeur heeft een belangenafweging plaatsgevonden waarbij dit gedrag is afgezet tegen het positieve gedrag van verzoeker en de onderdelen waarop hij ‘groen’ scoort, en zijn daarbij alle relevante aspecten van het gedrag van verzoeker meegenomen. De voorzitter acht, voorlopig oordelend, voldoende aannemelijk dat sprake is geweest van meer dan incidenteel ernstig negatief gedrag. De directeur heeft daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid kunnen beslissen tot terugplaatsing van verzoeker in het basisprogramma. Het verzoek zal worden afgewezen.

 

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek af.

 

 

Aldus gedaan door mr. A. van Waarden, voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A. van der Veen, secretaris, op 15 november 2018.

 

 

secretaris         voorzitter

Naar boven