Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-486, 8 oktober 2018, schorsing
Uitspraakdatum:08-10-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

 

Nummer          : S-486

Betreft : [verzoeker]    datum: 8 oktober 2018

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. J.J. Weldam namens,

[…], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Achterhoek te Zutphen.

 

Verzoeker vraagt – zo verstaat de voorzitter – om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 28 september 2018, inhoudende de terugplaatsing vanuit het plus- naar het basisprogramma (degradatie).

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen het klaagschrift van 5 oktober 2018 en van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 8 oktober 2018.

 

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

De voorzitter begrijpt dat deze terugplaatsingsbeslissing is genomen naar aanleiding van één “rode gedraging” van verzoeker, namelijk het vertonen van ongewenst gedrag waardoor hij een onveilig woon- en leefklimaat creëert voor zichzelf en medegedetineerden. In gevallen als het onderhavige dient de directeur – volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie – het gedrag dat leidt tot de bestreden beslissing te benoemen en bij zijn beslissing een belangenafweging te maken die voor verzoeker en voor de (voorzitter van de) beroeps- en de beklagcommissie kenbaar is. Daarbij dient de directeur - naast de feiten en omstandigheden van het ongewenste gedrag - mee te wegen het structurele gedrag van de betrokken gedetineerde, waarbij ook alle onderdelen van goed gedrag worden betrokken. Een enkel strafwaardig feit kan in beginsel geen zelfstandige grond zijn voor degradatie. De belangenafweging van de directeur voldoet naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet aan de daaraan gestelde vereisten en kan daarom de bestreden beslissing niet dragen. In de bestreden beslissing is in zijn geheel niet gesproken over “oranje” en “groen” gedrag, alleen over “rood” gedrag. Het verzoek zal worden toegewezen.

 

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende klaagschrift zal hebben beslist.

 

 

 

Aldus gedaan door mr. R.H. Koning, voorzitter, in tegenwoordigheid van bc. L. Vis-van Alff, secretaris, op 8 oktober 2018

              

                                                                            

 

secretaris         voorzitter

 

Naar boven