Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ S-60, 5 juli 2018, schorsing
Uitspraakdatum:05-07-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          : S-60

Betreft : [verzoeker]    datum: 5 juli 2018

 

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. J.P.R. Broers, namens […], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Middelburg.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 20 juni 2018, inhoudende de (terug)plaatsing in het basisprogramma (degradatie) per 20 juni 2018.

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 27 juni 2018 alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 3 juli 2018.

 

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Uit de inlichtingen van de directeur volgt dat de beslissing tot terugplaatsing van verzoeker naar het basisprogramma is genomen naar aanleiding van herhaald grensoverschrijdend gedrag. Uit de bestreden beslissing volgt dat het gedrag en de motivatie van verzoeker op grond van het toetsingskader 'stimuleren en ontmoedigen' zijn beoordeeld als ‘dit kan beter-gedrag’ (oranje) of ‘ongewenst gedrag’ (rood). De directeur verwijst in dit kader naar een tweetal aan verzoeker opgelegde disciplinaire straffen, te weten op 29 mei 2018 en op 8 juni 2018, wegens het bezit van contrabande op verzoekers cel.

Volgens vaste rechtspraak van de beroepscommissie dient de directeur bij het nemen van een beslissing tot terugplaatsing van een gedetineerde in het basisprogramma (degradatiebeslissing) het gedrag dat tot de bestreden beslissing leidt, te benoemen en een belangenafweging te maken die voor verzoeker en voor de (voorzitter van de) beroeps- en de beklagcommissie kenbaar is. Daarbij dient de directeur het aan de degradatiebeslissing ten grondslag gelegde negatieve gedrag af te wegen tegen het structurele gedrag, waaronder het positieve gedrag, van verzoeker.

Van een dergelijke belangenafweging is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter geen sprake. Gelet daarop acht de voorzitter termen aanwezig voor toewijzing van het verzoek.

 

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende beklag zal hebben beslist.

 

 

Aldus gedaan door mr. A. van Holten, voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A. van der Veen, secretaris, op 5 juli 2018.

 

 

secretaris         voorzitter

Naar boven