Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-455, 18 oktober 2018, beroep
Uitspraakdatum:18-10-2018Versie:vergelijk
Vergelijk versie 2 met:
Vergelijk met versie: 1  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Vermissing  v

nummer: R-455

betreft: [klager] datum: 18 oktober 2018

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 67 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift ingediend door mr. D. Nieuwenhuis, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen een uitspraak van 25 april 2018 van de alleensprekende beklagrechter bij FPC Dr. S. van Mesdag te Groningen, verder te noemen de inrichting, alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Klager, zijn raadsman mr. D. Nieuwenhuis en het hoofd van de inrichting hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord ter zitting van de beroepscommissie van 17 augustus 2018, gehouden in de penitentiaire inrichting Vught. Daarbij zij opgemerkt dat de raadsman van klager schriftelijk te kennen heeft gegeven wegens ziekte verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen, maar dat de behandeling van de zaak op voormelde datum niettemin doorgang kon vinden.
Op grond van de stukken en haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter
Het beklag betreft - voor zover in beroep aan de orde - de vermissing van een tweetal horloges (Me 2017-32).

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en het hoofd van de inrichting
Namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt schriftelijk toegelicht.

Het beroep richt zich tegen het ongegrond verklaren van de klacht, voor zover deze betrekking heeft op het vermissen van het horloge merk Pulsar en het horloge merk Citizin. De horloges stonden weliswaar niet op de inventarislijst, maar uit nader onderzoek is gebleken dat klager op enig moment horloges uit zijn opslagbox heeft ontvangen, die ook niet op de inventarislijst stonden. Dit laat de mogelijkheid open dat de horloges die klager mist, zich wel degelijk in het magazijn van de inrichting bevonden en aldaar vermist zijn geraakt. De directeur heeft een zorgplicht die met zich brengt dat de goederen van klager niet beschadigd of vermist raken. Nu dat kennelijk wel het geval is, is de directeur aansprakelijk voor het vermissen van de goederen.
Namens het hoofd van de inrichting is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt schriftelijk als volgt toegelicht.

Verwezen wordt naar hetgeen in het verweerschrift van 30 juni 2017 en de aanvullende reacties van 5 en 26 oktober 2017 staat opgenomen. Daarnaast wordt verwezen naar de gegeven toelichting tijdens de behandeling van de zaak in beklag.

In reactie op het beroepschrift van klager wordt opgemerkt dat klager juist horloges heeft ontvangen die wél op de inventarislijst stonden vermeld. Per abuis is op de inventarislijst echter vergeten te vermelden dat klager die horloges in ontvangst had genomen. Klager heeft volgens de inrichting niet aannemelijk gemaakt dat hij op het moment van verblijf op Reitdiep 2 in het bezit is geweest van een Pulsar-horloge, noch heeft klager aannemelijk gemaakt dat hij op moment van overbrengen van zijn spullen naar het magazijn in het bezit was van een Citizen horloge.


3. De beoordeling
In de huisregels van de inrichting staat in artikel 4.1.1 het volgende opgenomen: Spullen waarvoor de patiënt toestemming heeft gekregen om die mee te nemen, bewaart hij voor eigen risico. Dit geldt ook voor zaken die opgeslagen liggen in het magazijn of een fiets in het fietsenhok. Het FPC en medewerkers van het FPC zijn dus niet aansprakelijk als persoonlijke eigendommen van een patiënt wijtraken of beschadigen. Alleen als er sprake is van grove schuld of nalatigheid van de medewerker(s) is het mogelijk een schadevergoeding te krijgen. Ook wanneer de patiënt met beveiligd vervoer gaat, bijvoorbeeld bij overplaatsing, neemt hij zijn spullen (hooguit 1 dichte doos) mee voor eigen risico.

Blijkens ‘bijlage 4’, een onderdeel van de inventarislijst, zouden van klager ‘twee horloges (1 compleet Henley zwart, en één blauw colori bandje) in het magazijn zijn opgeslagen. Het bleek echter dat slechts de (lege) doosjes nog in het magazijn lagen. Uit de schriftelijke aantekeningen in het kader van een werkbespreking, gedateerd 8 april - jaartal onvermeld, en volgens de mededeling van de inrichting uit het jaar 2016 -, heeft klager tijdens zijn verblijf op Eems 3 die horloges echter uit de opslag ontvangen. Per abuis is de aantekening van afgifte van de horloges aan klager niet op de inventarislijst genoteerd.

De twee met merknaam genoemde horloges die klager stelt te missen, komen niet voor op de inventarislijsten en zij komen gelet op de omschrijving evenmin overeen met de beschrijving van de twee eerder genoemde horloges genoemd op de inventarislijst.

De mededeling van de geraadpleegde juwelier betreft een aanwijzing dat klager op enig moment een horloge van het merk Citizen heeft aangekocht. Niet helder is geworden wanneer deze aankoop zou hebben plaatsgevonden, maar gesproken wordt over ‘enige jaren geleden’. Wat daar ook van zij, de mededeling van de juwelier zegt niets over de vraag of het door klager gekochte horloge in de inrichting opgeslagen ligt, dan wel heeft gelegen. Er is geen schriftelijk stuk of anderszins een aanwijzing voorhanden dat klager op enig moment in de inrichting over de twee door hem genoemde horloges van het merk Citizen of Pulsar heeft beschikt en/of dat deze zouden zijn opgeslagen in het magazijn, met als (uiterste) gevolg daarvan dat de horloges zouden zijn kwijtgeraakt onder de verantwoordelijkheid van de directeur.

Naar het oordeel van de beroepscommissie is dan ook niet aannemelijk geworden dat klager op het moment van zijn verblijf op Reitdiep 2 in het bezit is geweest van een Pulsar horloge en/of een horloge van het merk Citizen en dat de directeur verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor de vermissing van deze horloges. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagcommissie. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Ten overvloede merkt de beroepscommissie op dat het van groot belang wordt geacht dat inventarislijsten zodanig worden opgesteld, ingevuld en accuraat worden bijgehouden dat gemakkelijk verificatie kan plaatsvinden wanneer door een patiënt wordt gesteld dat sprake is van vermissing van goederen. De wijze van het opmaken van inventarislijsten in het geval van klager, komt de beroepscommissie als niet volledig toereikend voor. De beroepscommissie geeft de inrichting in overweging inventarislijsten te voorzien van duidelijke datering en ervoor zorg te dragen dat de verwerking met betrekking tot de binnenkomst/opslag en uitvoer/uitgifte van goederen zorgvuldig in het registratieproces worden opgenomen, uiteraard voor zover in één en ander thans (nog) niet wordt voorzien.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt - voor zover aan de orde - de uitspraak van de beklagrechter.
Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, drs. W.A.Th. Bos en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Simpelaar, secretaris, op 18 oktober 2018

secretaris voorzitter