Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ R-770, 17 september 2018, beroep
Uitspraakdatum:17-09-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer:         R-770

Betreft:            [klager]            datum: 17 september 2018

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift ingediend door mr. S. Wortel, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen een op 9 april 2018 genomen beslissing van de selectiefunctionaris, alsmede van de overige stukken, waaronder de beslissing waarvan beroep.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

 

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

De selectiefunctionaris heeft klagers verzoek tot deelname aan een penitentiair programma (p.p.) afgewezen.

 

2.         De feiten

2.1.      Klager is sinds 6 december 2017 gedetineerd. Hij verblijft in de penitentiaire inrichting (p.i.) Lelystad.

 

3.         De standpunten

3.1.      Namens klager is het beroep – samengevat - als volgt toegelicht.

Klager is niet bekend met de tweede aanmaning van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) waar de selectiefunctionaris naar verwijst. Op 27 februari 2018 heeft klager een brief ontvangen waaruit blijkt dat het CJIB stelt door te zullen gaan met de inning. Mocht het zo zijn dat het CJIB nog niet heeft beslist of haar vordering zal worden overgedragen aan de deurwaarder dan wel of zij tot vervangende hechtenis zal besluiten, dan kan en mag deze onzekerheid niet op klager worden afgewend. Vooralsnog heeft immers te gelden dat de einddatum van klager is bepaald op 20 februari 2019, hetgeen betekent dat hij in aanmerking komt voor deelname aan een p.p.

Voorts zijn de problemen van klager wel dusdanig ‘ernstig’ dat plaatsing in het kader van artikel 43 van de Pbw noodzakelijk is. Sociale re-integratie in de maatschappij is van groot belang. Het betreft inderdaad geen medische noodzakelijkheid, maar  plaatsing is wel noodzakelijk voor de sociale verzorging en hulpverlening die klager nodig heeft. Voorts is de beoogde instelling gevestigd in de buurt van zijn sociale netwerk. Het belang bij plaatsing wordt ook onderschreven door een medewerker van de instelling en de casemanager. Het besluit kan derhalve geen stand houden.

3.2.      De selectiefunctionaris heeft de afwijzing van genoemd verzoek - samengevat- als volgt toegelicht.

Klager heeft een schuld openstaan bij het CJIB van € 2.411.982,50 en heeft aangeboden deze af te betalen met € 12,50 per maand. De maximale termijn waarbinnen een betalingsregeling gerealiseerd moet zijn is echter 36 maanden. Gelet hierop heeft het CJIB niet ingestemd met het voorstel en is het zeer waarschijnlijk dat klager een vervangende hechtenis van 151 dagen zal moeten ondergaan, aansluitend aan zijn huidige detentie. Ingevolge artikel 7, derde lid onder g, van de Penitentiaire maatregel (Pm) betrekt de selectiefunctionaris bij zijn beslissing in ieder geval de mate van onzekerheid over de datum van  invrijheidstelling. Nu de kans dat klager aansluitend aan zijn huidige detentie een vervangende hechtenis dient te ondergaan heel groot is, heeft de selectiefunctionaris in redelijkheid kunnen beslissen dat klager niet in aanmerking komt voor deelname aan een p.p.

 

4.         De beoordeling

4.1.      Klager heeft verzocht tot plaatsing in een begeleid/beschermd wonen instelling in het kader van artikel 43, derde lid, van de Pbw gevolgd door deelname aan een p.p.

4.2.      Ten aanzien van het verzoek tot plaatsing ex artikel 43, derde lid, van de Pbw overweegt de beroepscommissie als volgt.

In artikel 31 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden is de plaatsing als bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Pbw geregeld. In de toelichting bij dit artikel wordt gesteld dat “artikel 43, derde lid, Pbw de directeur de mogelijkheid biedt een gedetineerde ten behoeve van zijn sociale verzorging en hulpverlening over te brengen naar een daartoe bestemde plaats. In het algemeen is het aan de directeur te bepalen of de overbrenging geïndiceerd is en welke voorwaarden hij hierbij stelt”.

De beroepscommissie merkt op dat het hier een plaatsingsbeslissing van de directeur betreft, na instemming van de selectiefunctionaris. Op grond van artikel 72, eerste lid, van de Pbw betreft de niet-instemming van de selectiefunctionaris geen beslissing waartegen beroep openstaat. De directeur is op grond van artikel 43, derde lid, van de Pbw beslissingsbevoegd. Nu tegen de voornoemde niet-instemming geen beroep open staat, kan klager in zoverre niet in zijn beroep worden ontvangen.

4.3.      Ten aanzien van het verzoek tot deelname aan een p.p. overweegt de beroepscommissie als volgt.

In artikel 4 van de Pbw en de artikelen 7 en 9 van de Pm zijn de voorwaarden opgenomen waaraan het p.p. en de gedetineerde moeten voldoen. Ingevolge artikel 7, derde lid onder g, van de Pm dient bij de beslissing in ieder geval de mate van onzekerheid over de datum van invrijheidstelling te worden meegenomen.

4.4.      Aan klager is een schadevergoedingsmaatregel van ruim twee miljoen euro opgelegd. Klager heeft een betalingsvoorstel van € 12,50 per maand ingediend bij het CJIB. Uit de stukken blijkt dat het voorstel is afgewezen door het CJIB, omdat de maximale termijn waarbinnen een betalingsregeling gerealiseerd moet zijn is gesteld op 36 maanden. Voorts blijkt uit het dossier dat klager slechts € 12,50 per maand kan missen. Derhalve is het niet aannemelijk dat klager het bedrag binnen een redelijke termijn zal voldoen. Gelet op het voorgaande mocht de selectiefunctionaris, ondanks het feit dat nog niet duidelijk was of overgegaan zou worden tot vervangende hechtenis, er in redelijkheid van uitgaan dat de einddatum van klager niet als vaststaand kon worden beschouwd. Derhalve kan de op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt en het beroep zal in zoverre dan ook ongegrond worden verklaard.

 

5.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep voor zover dit is gericht tegen de niet-instemming van de selectiefunctionaris met een plaatsing ex artikel 43, derde lid, van de Pbw.

De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond voor zover dit is gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot deelname aan een p.p.

 

 

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.W. Wabeke, voorzitter, mr. A.T. Bol en J.G.A. van den Brand, leden, in tegenwoordigheid van

mr. R. Smeijers, secretaris, op 17 september 2018

 

 

 

 

 

 

 

           

 

                      secretaris           voorzitter

 

Naar boven