Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 18/44/GA, 20 augustus 2018, beroep
Uitspraakdatum:20-08-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

nummer:          18/44/GA

betreft: [klager]            datum: 20 augustus 2018

 

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

 

[…], verder te noemen klager,

 

gericht tegen een uitspraak van 14 december 2017 van de beklagcommissie bij het Justitieel Complex (JC) Zaanstad, voor zover daarbij aan klager een tegemoetkoming is toegekend,

 

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

 

De beroepscommissie heeft de directeur van het JC Zaanstad in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

 

1. De inhoud van de tegemoetkoming

De beklagcommissie heeft een tegemoetkoming van € 15,= toegekend vanwege de gegrondverklaring van klagers beklag betreffende – zo begrijpt de beroepscommissie – de beslissing om klager niet te promoveren, op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

 

2. De beoordeling

Anders dan de directeur acht de beroepscommissie klager ontvankelijk in het beroep. Weliswaar houdt artikel 69, eerste lid, van de Pbw in dat het beroepschrift met redenen is omkleed, maar enig rechtsgevolg verbindt de wet daaraan niet. In de rechtspraak van de beroepscommissie wordt overgegaan tot een niet-ontvankelijkverklaring indien de directeur of een advocaat na daartoe te zijn uitgenodigd het beroep niet nader toelicht. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. Klager stelt in beroep zich niet te kunnen verenigen met de toegekende tegemoetkoming. De beroepscommissie zal hierop beslissen.

Nu uiterlijk zes weken na de beslissing tot niet-promoveren wordt bezien of een gedetineerde alsnog kan promoveren, en nu tegen dit niet-promoveren wederom beklag kan worden ingesteld, stelt de beroepscommissie bij een gegrondverklaring van dit beklag de tegemoetkoming volgens vaste jurisprudentie vast op € 30,=. Zij ziet geen reden hier in het onderhavige geval van af te wijken. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en de beroepscommissie zal de tegemoetkoming alsnog vaststellen op € 30,=.

 

3. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagcommissie voor zover daartegen beroep is ingesteld en bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van € 30,=.

 

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.A.M. de Wit, voorzitter, J. Schagen MA en mr. A. van Waarden, leden, in tegenwoordigheid van

P. de Vries, secretaris, op 20 augustus 2018.

 

 

 

            secretaris         voorzitter

 

 

Naar boven