Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 18/0288/GV, 28 juni 2018, beroep
Uitspraakdatum:28-06-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

nummer:          18/0288/GV

betreft: [klager]            datum: 28 juni 2018

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van […], verder te noemen klager, gericht tegen een op 1 februari 2018 genomen beslissing van de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister), alsmede van de onderliggende stukken.

De beroepscommissie heeft de Minister in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager, alsmede zijn raadsvrouw mr. M. Wezepoel, om het beroep schriftelijk toe te lichten.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

De Minister heeft klagers verzoek tot het tijdelijk verlaten van de inrichting in het kader van incidenteel verlof afgewezen.

2.         De standpunten

Klager heeft het beroep als volgt – samengevat – toegelicht.

Aan klager zijn mondelinge toezeggingen gedaan op grond waarvan hij onkosten heeft moeten maken. Klager wenst deze kosten vergoed te krijgen. Voorts is de bestreden beslissing genomen op onjuiste gronden. Klagers verzoek om incidenteel verlof is onder meer afgewezen vanwege de onttrekking aan zijn detentie in 2011. De Raad heeft echter reeds bepaald dat deze omstandigheid niet langer een afwijzing van een verlofaanvraag rechtvaardigt. Ook op 29 mei 2016 is klager niet van een verlof teruggekeerd. Die detentie liep echter ten einde op 27 september 2017. Er is dan ook geen sprake van onttrekking tijdens de huidige detentie. Klager is thans gedetineerd vanwege een aan hem opgelegde lijfsdwang, in het kader van de tenuitvoerlegging van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Klager had echter vanaf 27 september 2017 een gevangenisstraf van 120 dagen moeten ondergaan, vanwege afstel van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Gelet daarop verblijft klager sinds voornoemde datum onrechtmatig in detentie en had hij reeds in vrijheid moeten worden gesteld.

Namens de Minister is de bestreden beslissing als volgt – samengevat – toegelicht.

Uit het advies van de vrijhedencommissie volgt dat zij aanvankelijk positief had geadviseerd ten aanzien van klagers verlofaanvraag. Na inlichtingen te hebben gewonnen bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) is echter alsnog negatief geadviseerd. Niet de vrijhedencommissie, maar de selectiefunctionaris is bevoegd incidenteel verlof te verlenen. Ook is niet gebleken dat de selectiefunctionaris een ondubbelzinnige toezegging aan klager heeft gedaan. Klagers verzoek om incidenteel verlof is mede afgewezen op grond van het feit dat klager zich van 22 april 2011 tot 13 juni 2012 en van 29 mei 2016 tot 30 augustus 2016 heeft onttrokken aan de detentie. Het gegeven dat klagers insluitingstitels tijdens de detentie wijzigen, is geen reden op grond waarvan zijn verzoek om incidenteel verlof moet worden toegewezen. Klager stelt verder dat hij sinds 27 september 2017 onrechtmatig in detentie verblijft. Dat valt buiten de omvang van het beroep.

Op klagers verlofaanvraag zijn de volgende adviezen uitgebracht.

De vrijhedencommissie heeft – na kennisneming van de inlichtingen van het CBR – negatief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag, nu, gelet op de einddatum van klagers detentie, de noodzaak voor het verlenen van incidenteel verlof ontbreekt.

Het multidisciplinair overleg heeft positief geadviseerd ten aanzien van de verlofaanvraag, mits het verlof onder begeleiding plaatsvindt. Indien klager in het bezit is van een vrachtwagenrijbewijs kan hij na zijn detentieperiode voorzien in werk en inkomen.

De politie heeft het verlofadres geverifieerd en in orde bevonden.

3.         De beoordeling

Klager verzoekt – zo begrijpt de beroepscommissie – in de gelegenheid te worden gesteld het beroep nader mondeling toe te lichten. De beroepscommissie wijst dit verzoek, dat niet is onderbouwd, af, nu zij zich op basis van de stukken voldoende ingelicht acht op het beroep te beslissen.

Klager is gedetineerd vanwege een aan hem opgelegde lijfsdwang van achttien maanden, in het kader van de tenuitvoerlegging van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 99.096,90. Aansluitend dient hij een gevangenisstraf van 120 dagen te ondergaan in verband met uitstel dan wel afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De einddatum van klagers detentie is thans bepaald op 29 juli 2019.

Op grond van artikel 21 van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (de Regeling) kan incidenteel verlof worden verleend voor het bijwonen van gebeurtenissen in de persoonlijke sfeer van de gedetineerde, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is. Artikel 31, eerste lid, van de Regeling kan incidenteel verlof worden verleend om de gedetineerde in de gelegenheid te stellen praktische voorbereidingen op zijn invrijheidstelling te treffen. Het tweede lid van laatstgenoemd artikel bepaalt dat incidenteel verlof als bedoeld in het eerste lid slechts wordt verleend indien de invrijheidstelling binnen drie maanden te verwachten valt en de voorbereidingen niet op andere wijze kunnen worden getroffen.

De beroepscommissie stelt vast dat klagers beroep is gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om incidenteel verlof, teneinde in het kader van het verlengen van zijn vrachtwagenrijbewijs (groot rijbewijs) een medische keuring te ondergaan. Dit rijbewijs heeft klager nodig om na zijn detentieperiode als internationaal chauffeur aan de slag te kunnen gaan. Klager stelt in zijn beroepschrift tevens in beroep te gaan, vanwege de omstandigheid dat hij sinds 27 september 2017 onrechtmatig in detentie verblijft. Dit laatste valt echter buiten de omvang van het oorspronkelijke beroep. Klager kan in zoverre dan ook niet in het beroep worden ontvangen.

Klager stelt voorts dat hem mondelinge toezeggingen zijn gedaan op grond waarvan hij – naar later bleek – ten onrechte onkosten heeft gemaakt en wenst dan ook voor de gemaakte kosten een vergoeding te ontvangen. Nog daargelaten of aan klager dergelijke toezeggingen zijn gedaan, is de beroepscommissie van oordeel dat voornoemde stelling onvoldoende is onderbouwd. 

Aan de afwijzing van klagers verzoek om incidenteel verlof is ten grondslag gelegd het feit dat klager zich (onder meer) van 29 mei 2016 tot 30 augustus 2016 heeft onttrokken aan de detentie. De beroepscommissie is van oordeel dat deze omstandigheid een contra-indicatie vormt voor verlofverlening en een afwijzing van klagers verzoek om incidenteel verlof rechtvaardigt. Klagers verzoek om incidenteel verlof is eveneens afgewezen vanwege het ontbreken van de noodzaak deel te nemen aan voornoemd medisch onderzoek. Uit de inlichtingen van de vrijhedencommissie volgt dat het CBR het – gelet op de einddatum van klagers detentie – niet noodzakelijk acht hem op dit moment de medische keuring ten behoeve van het verlengen van zijn vrachtwagenrijbewijs te doen ondergaan. Het verlengen van klagers rijbewijs kan ook op een later moment plaatsvinden. Gelet hierop is de beroepscommissie van oordeel dat de noodzaak van klagers aanwezigheid onvoldoende aannemelijk is geworden. Nu klagers invrijheidstelling bovendien niet binnen drie maanden valt te verwachten, kan de beslissing van de Minister, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

4.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover het de uitbreiding van het oorspronkelijke beroep betreft.

Zij verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. C.M. van der Bas, voorzitter, mr. A. van Holten en J. Schagen MA, leden, in tegenwoordigheid van M.G. Bikker, secretaris, op 28 juni 2018

            secretaris         voorzitter

 

Naar boven