Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 17/4123/GA en 17/4124/GA, 11 juni 2018, beroep
Uitspraakdatum:11-06-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

nummers:        17/4123/GA en 17/4124/GA

 

betreft: [klager]            datum: 11 juni 2018

 

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift ingediend door mr. M.W. Bouwman, namens […], verder te noemen klager, gericht tegen uitspraken van 4 december 2017 van de beklagcommissie bij de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught, alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraken waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak zijn gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 20 april 2018, gehouden in de p.i. Vught, is gehoord mevrouw […], plaatsvervangend vestigingsdirecteur. Hoewel klager, die zich inmiddels in vrijheid bevindt, op behoorlijke wijze was opgeroepen, is hij niet ter zitting verschenen. Klagers raadsvrouw heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te worden gehoord ter zitting van de beroepscommissie.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

           

1.         De inhoud van het beklag en de uitspraken van de beklagcommissie

Het beklag betreft

a. een disciplinaire straf van vijf dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel met verwijdering van televisie, wegens het niet opvolgen van opdrachten van personeel en het uiten van bedreigingen (VU-2017-1960).

b. de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke disciplinaire straf van twee dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, wegens de oplegging van een disciplinaire straf gedurende de proeftijd (VU-2017-1972).

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraken weergegeven.

2.         De standpunten van klager en de directeur

Namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.

Klager betwist een celluikje te hebben geopend op de gang met een medegedetineerde. Tevens ontkent hij de betrokken medegedetineerde te hebben verzocht aan te geven dat hij zelf het celluikje heeft geopend. De bewoordingen die klager heeft gebruikt in het gesprek met het personeel waren niet als bedreiging bedoeld. Hij meent dat hem ten onrechte een sanctie is opgelegd, subsidiair dat de duur van de sanctie onredelijk lang is. De tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is derhalve tevens onredelijk.

De directeur heeft volhard in het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt.

Ten aanzien van onderdeel b. heeft zij daaraan toegevoegd dat klager, anders dan ten aanzien van het beklag is betoogd, wel ontvankelijk is in zijn beklag, omdat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de op 20 oktober 2017 voorwaardelijk opgelegde straf dateert van 29 oktober 2017.

3.         De beoordeling

De beroepscommissie komt ten aanzien van het beklag onder a. tot het oordeel dat de beklagcommissie op goede gronden en met juistheid op het beklag heeft beslist. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van onderdeel b. overweegt de beroepscommissie als volgt.

Klager heeft ook beroep ingesteld tegen de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf. Bij RSJ 11 juni 2018, 17/4121/GA, heeft de beroepscommissie bepaald dat de beslissing tot oplegging van de voorwaardelijke straf onbevoegd is genomen. Omdat in die zaak in redelijkheid tot strafoplegging kon worden overgegaan, heeft de beroepscommissie geen termen aanwezig geacht voor het toekennen van een tegemoetkoming.

Waar de onderliggende beslissing onbevoegd is genomen, kan de beroepscommissie niet anders dan het beroep, gericht tegen de tenuitvoerlegging ervan, eveneens gegrond verklaren. Nu klager in de proeftijd evenwel een strafbaar feit heeft begaan in penitentiair rechtelijke zin en in de onderliggende beslissing in redelijkheid tot strafoplegging kon worden overgegaan, ziet de beroepscommissie geen aanleiding tot het toekennen van een tegemoetkoming.

4.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van onderdeel a. ongegrond en bevestigt de betreffende uitspraak van de beklagcommissie.

De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van onderdeel b. gegrond, vernietigt de betreffende uitspraak van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond. Zij bepaalt dat aan klager geen tegemoetkoming toekomt.

 

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. C.M. van der Bas, voorzitter, J.G.A. van den Brand en J. Schagen MA, leden, in tegenwoordigheid van

mr. R. Smeijers, secretaris, op 11 juni 2018.

 

 

 

 

 

 

            secretaris         voorzitter

 

 

Naar boven