Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 17/2285/JA, 4 juli 2018, beroep
Uitspraakdatum:04-07-2018Versie:vergelijk
Vergelijk versie 2 met:
Vergelijk met versie: 1  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

nummer: 17/2285/JA

betreft: [klager] datum: 4 juli 2018

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 74, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift ingediend door mr. R. Dijkstra, namens [naam klager], geboren op […] 1996, verder te noemen klager, gericht tegen een uitspraak van 10 juli 2017 van de alleensprekende beklagrechter bij de rijks justitiële jeugdinrichting (r.j.j.i.) locatie Den Hey-Acker te Breda (hierna: Den Hey-Acker), alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 20 maart 2018, gehouden in de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht, is klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. R. Dijkstra, gehoord.

De directeur van Den Hey-Acker heeft schriftelijk laten weten verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter

Het beklag betreft het missen van een afspraak voor een second opinion bij de kaakspecialist in het ziekenhuis (HA 2017-66).

De beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur

Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Klager heeft een afspraak voor een second opinion bij de kaakspecialist gemist, omdat dit bezoek aan de kaakspecialist ten koste van klagers vaste (planmatige) verlof zou gaan. De afspraak bij de kaakspecialist valt te brengen onder het bepaalde in artikel 32, eerste lid, Reglement justitiële jeugdinrichtingen (Rjj) en klager had incidenteel verlof moeten krijgen voor deze afspraak. Het betreft immers een geval in de persoonlijke levenssfeer waar klagers aanwezigheid was vereist. Planmatig verlof wordt verleend, met als doelstelling resocialisatie van de jeugdige. Een bezoek aan een kaakspecialist draagt niet per definitie bij aan de resocialisatie. Ingevolge artikel 47 Bjj heeft de jeugdige recht op medische verzorging. Doordat klager geen incidenteel verlof heeft gekregen, wordt de toegang tot een arts onvoldoende gewaarborgd en daarom is er geen redelijke uitvoering gegeven aan het verlof. Bovendien heeft klager voor een tweetal eerdere ziekenhuisbezoeken wel incidenteel verlof gekregen. De beslissing draagt niet bij aan de rechtszekerheid van klager.

Klager heeft ter zitting aangegeven dat de afspraak bij de kaakspecialist plaatsvond in het kader van een doorverwijzing van de arts van de inrichting. De afspraak was vervolgens door de inrichting gemaakt en deze stond heel vroeg op de dag ingepland. De datum van de afspraak kreeg klager pas kort van te voren te horen. Als klager geen planmatig verlof had gehad die dag, dan zou hij volgens hem waarschijnlijk wel incidenteel verlof hebben gekregen voor de afspraak. Klager kon niet aansluitend van de afspraak bij de kaakspecialist naar zijn netwerkverlof, gezien de aanwezigheid van zijn netwerk op dat tijdstip. De inrichting heeft als oplossing aangeboden dat klager na zijn afspraak bij de kaakspecialist eerst enkele uren zou moeten wachten, om vervolgens naar zijn netwerk te gaan. Dat wilde klager niet. Hij wil geen onnodige uren buiten de inrichting verblijven zonder doel.

De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt schriftelijk toegelicht. Volgens artikel 32, eerste lid, Rjj kan incidenteel verlof worden verleend in verband met onverwachte gebeurtenissen of omstandigheden in de persoonlijke levenssfeer van de jeugdige, waarbij zijn aanwezigheid noodzakelijk is. De afspraak voor een second opinion bij de kaakspecialist is niet aan te merken als zijnde een onverwachte gebeurtenis en het bezoek dient binnen het planmatig verlof plaats te vinden. Op grond van artikel 65, eerste lid, onder g, staat beklag open tegen de beslissing tot beperking of intrekking van verlof. Volgens jurisprudentie bestaat geen absoluut recht op planmatig verlof en staat geen beklag open tegen de beslissing van de directeur om geen verlofmachtiging aan te vragen. Dit geldt ook voor incidenteel verlof. Klager moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard in zijn klacht.

3. De beoordeling

3.1 Ontvankelijkheid

In artikel 47 eerste lid Bjj is bepaald dat de jeugdige recht heeft op verzorging door een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger. In het vierde lid sub b en c van dat artikel is opgenomen dat de directeur zorg draagt voor de overbrenging van de jeugdige naar een ziekenhuis indien de behandeling op aanwijzing van de aan de inrichting verbonden arts aldaar plaatsvindt. De ratio van die bepaling is dat de jeugdige, ook als die van zijn vrijheid is beroofd, in de gelegenheid moet zijn om, als dit door de inrichtingsarts noodzakelijk wordt geacht, een medische behandeling buiten de inrichting te ondergaan. De klacht van klager houdt in dat de directeur hem niet die gelegenheid heeft gegeven. Nu die beslissing een beperking inhoudt van een recht dat de jeugdige op grond van artikel 47 Bjj toekomt is klager, gelet op artikel 65 eerste lid, sub m Bjj, ontvankelijk in de klacht.

3.2 Inhoudelijk

Door klager wordt niet betwist dat hij in de gelegenheid is gesteld om een medisch specialist in het ziekenhuis buiten de inrichting te bezoeken maar gesteld - zo begrijpt de beroepscommissie - dat het onredelijk van de directeur is om dit bezoek in te plannen binnen het kader van het planmatig verlof en niet daarbuiten. Op basis van artikel 33 Rjj kan aan de jeugdige die op strafrechtelijke titel in een inrichting is geplaatst planmatig verlof worden verleend. Planmatig verlof wordt verleend in het kader van een verlofplan, dat onderdeel is van het perspectiefplan en dat ten doel heeft de resocialisatie van de jeugdige. Het verlofplan geldt telkens voor een periode van ten hoogste zes maanden, bevat een concrete aanduiding van het voorgenomen traject in die periode wat betreft de frequentie, de duur, de aard en de bestemming van het verlof, een motivering van het belang van het verlof met het oog op de behandeling en resocialisatie en een afweging van de veiligheidsrisico’s. Niet betwist is dat klager toentertijd in het kader van dat planmatig verlof maar één netwerkverlof per week had en dat dit verlof op dezelfde dag stond gepland als de afspraak die door de inrichting gemaakt is bij de kaakspecialist. Klager ging dan in het kader van resocialisatie naar huis of naar zijn zus. Gelet op de beperkte omvang en de in het kader van het planmatig verlof ingevulde concrete inhoud van dit netwerkverlof moet het niet redelijk worden geacht om juist en enkel op die dag de jeugdige in de gelegenheid te stellen een medische behandeling buiten de inrichting te ondergaan, waar hij recht op heeft en hem niet, zoals ook twee keren daarvoor is gebeurd, buiten het kader van het planmatig verlof die noodzakelijk geachte medische behandeling te laten ondergaan. Klager heeft bij de beklagcommissie aangegeven bereid te zijn met DV&O naar het ziekenhuis te gaan. Voor het ondergaan van een medisch noodzakelijke behandeling in het ziekenhuis buiten de inrichting is op zich geen verlofstatus nodig, nu het hier gaat om een wettelijk recht van de jeugdige dat niet afhankelijk is van het aanvragen van een verlofmachtiging door de directeur en de al dan niet inwilliging van die aanvraag. Gelet op het vorenstaande wordt het beroep gegrond verklaard.

De beroepscommissie acht geen termen aanwezig om vanwege de gegrondverklaring van het beroep een tegemoetkoming aan klager toe te kennen. Dit omdat de inrichting klager een passende oplossing heeft geboden, waardoor het bezoek aan de kaakspecialist niet daadwerkelijk ten koste van klagers planmatige verlof zou gaan. Klager heeft immers in dat verband zelf ervoor gekozen van het aanbod geen gebruik te willen maken.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de beklagrechter en verklaart het beklag alsnog gegrond.

Zij bepaalt dat aan klager geen tegemoetkoming toekomt.

Deze uitspraak is gedaan door de beroepscommissie, bestaande uit M.J.C. Koens, voorzitter, drs. H. Heddema en drs. W.A.Th. Bos, leden, bijgestaan door mr. M. Simpelaar, secretaris, op 4 juli 2018

secretaris voorzitter

Naar boven