Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 18/0878/SGA, 7 mei 2018, schorsing
Uitspraakdatum:07-05-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

       

                            

 

Nummer          : 18/878/SGA

Betreft : [verzoeker]    datum: 7 mei 2018

 

 

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. S. Plas, namens

 

[…], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Nieuwegein.

 

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde p.i. van

2 mei 2018, inhoudende de oplegging van een disciplinaire straf van opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel gedurende veertien dagen, ingaand op 2 mei 2018 om 13.15 uur en eindigend op 16 mei 2018 om 13.15 uur, wegens intimidatie, bedreiging en gezagsondermijnend gedrag gericht op personeel.

 

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 3 mei 2018 alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 4 mei 2018.

 

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Namens verzoeker wordt gesteld dat de disciplinaire straf ten onrechte is opgelegd, dan wel dat deze disproportioneel hoog is, en wordt ontkend dat hij bedreigend, intimiderend of gezagsondermijnend gedrag heeft vertoond. 

Uit de inlichtingen van de directeur blijkt dat verzoeker op 1 en 2 mei 2018 verschillende intimiderende, bedreigende en gezagsondermijnende uitspraken heeft gedaan tegen verschillende personeelsleden, en hierbij ook fysiek intimiderende houdingen heeft aangenomen.

De voorzitter, voorlopig oordelend, overweegt dat de hoogte van de sanctie weliswaar te verklaren is door het maximum van de sanctiekaart, maar dat de beschreven gedragingen zich zeker niet in de zwaarste categorieën van het bedreigingsspectrum bevinden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is de straf, zonder nadere motivering, derhalve onbegrijpelijk hoog.

Gelet op het vorenstaande zijn er  termen aanwezig voor toewijzing van het verzoek.

 

 

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende beklag zal hebben beslist.

 

Aldus gedaan door mr. A.G. Coumans, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Warntjes, secretaris, op 7 mei 2018.

 

 

                       secretaris          voorzitter

 

 

 

 

 

Naar boven