Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 18/0237/GV, 12 maart 2018, beroep
Uitspraakdatum:12-03-2019

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

nummer:          18/237/GV

betreft: [Klager]           datum: 12 maart 2018

 

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. T.J. Lindhout, namens

[…], verder te noemen klager, gericht tegen een op 26 januari 2018 genomen beslissing van de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister),

alsmede van de onderliggende stukken, waaronder de op 23 februari 2018 bij de Raad binnengekomen reactie op het verweerschrift van de Minister.

De beroepscommissie heeft de Minister in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager, alsmede zijn raadsvrouw, om het beroep schriftelijk toe te lichten.

 

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

 

1.         De inhoud van de bestreden beslissing

De Minister heeft klagers verzoek de verlofbeslissing van 29 mei 2017 wegens gewijzigde feiten en omstandigheden te herzien en hem alsnog – in afwachting van het advies van het Adviescollege Levenslanggestraften (hierna: het Adviescollege) – de twee resterende bij voormelde beslissing toegekende incidentele verloven toe te kennen, afgewezen.

 

2.         De standpunten

Namens klager is het beroep als volgt toegelicht. Bij beslissing van 29 mei 2017 heeft de (voormalig) Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (de Staatssecretaris) toegezegd klager in het kader van zijn resocialisatie in 2017 drie verloven toe te kennen die elk afhankelijk zijn gesteld van de behandeling die klager bij het Dok doorloopt. Na elke behandelfase (module) zou een rapportage worden uitgebracht, waarna over het verlof zou worden beslist. De eerste module is echter niet in september 2017 afgerond, zoals het Dok had aangekondigd, maar pas in december 2017. De behandeling heeft zodoende drie maanden vertraging opgelopen vanwege omstandigheden, waaronder uitval wegens ziekte van een behandelaar, waarop klager geen invloed heeft gehad. Uit de eerste rapportage volgde expliciet dat geen contra-indicaties voor verlofverlening bestonden. Klager heeft vervolgens pas op 30 december 2017 zijn eerste verlof genoten. Uit de eerste tussenevaluatie van 5 december 2017 bleek voorts dat van het oorspronkelijke plan betreffende de tweede en derde module zal worden afgeweken, nu deze modules niet langer zijn geïndiceerd. De therapieën die in plaats daarvan zouden worden gegeven, zijn moeilijk in het verloop te voorspellen en lenen zich er niet voor in tussentijdse modules te worden gegeven die met een tussenrapportage kunnen worden afgesloten. Vanwege deze gewijzigde omstandigheid is namens klager verzocht de verlofbeslissing van 29 mei 2017, waarbij verlofverlening aan de tussentijdse evaluaties door het Dok zou worden gekoppeld, te herzien en de twee resterende verloven in januari en februari 2018 alsnog te verlenen. Voorts heeft klager een verlofaanvraag voor 30 januari 2018 ingediend. Het Adviescollege zal omstreeks februari of maart 2018 een advies over de toekomstige verlofverlening aan klager uitbrengen. Het zal naar verwachting vier tot zes weken duren, voordat een beslissing naar aanleiding van dat advies zal zijn genomen. Indien tot dat moment geen verlof aan klager wordt verleend, bestaat het risico dat zijn behandeling bij het Dok stagneert. Voor de therapie die hij volgt, is het immers van essentieel belang dat hij voldoende oefenmogelijkheden krijgt buiten de gecontroleerde setting van de inrichting waar hij verblijft. De Minister heeft met deze omstandigheid onvoldoende rekening gehouden. Uit de Dok-rapportage van 5 december 2017 na het afronden van de eerste module van de behandeling volgde reeds dat het behandeltraject van klager zou worden gewijzigd. Voorts is in 2017 slecht één verlof aan klager toegekend, nu er in 2017 slechts één tussenevaluatie van het Dok is geweest. De Minister heeft bij de besluitvorming ten onrechte geen, althans onvoldoende, rekening met deze gewijzigde omstandigheden gehouden. Dit klemt temeer nu het verleende verlof van 30 december 2017 blijkens de evaluatie daarvan goed is verlopen en uit de tussenevaluatie van het Dok van 5 december 2017 geen contra-indicaties voor verlofverlening voortvloeien. Voor zover het de Minister niet duidelijk zou zijn wanneer in het nieuwe behandeltraject een volgende rapportage is te verwachten, ligt het op zijn weg, als opdrachtgever van het Dok, daarover opheldering te vragen. Het is onredelijk klager in afwachting van het advies van het Adviescollege de reeds toegekende verloven te (blijven) onthouden. De bestreden beslissing geeft geen blijk van een behoorlijke belangenafweging. Klager verzoekt de Minister te bevelen onverwijld een nieuwe verlofbeslissing te nemen die ertoe strekt dat klager in februari en maart 2018 incidenteel verlof zal worden verleend.        

Namens de Minister is de bestreden beslissing als volgt toegelicht. Bij beslissing van 29 mei 2017 is uitvoering gegeven aan RSJ 12 april 2017, 16/1660/GV. Tegen deze beslissing heeft klager een beroepschrift ingediend en een kort geding bij de voorzieningenrechter aangespannen. Nadat klager het beroep heeft ingetrokken en de voorzieningenrechter klager niet-ontvankelijk heeft verklaard, is de beslissing van 29 mei 2017 onherroepelijk geworden. Om die reden en omdat op dat moment nog geen volwaardige rapportage van het Dok beschikbaar was, is klagers verzoek om verlof van 28 juli 2017 op 31 augustus 2017 afgewezen. Het beroep dat klager daartegen heeft ingesteld, heeft de beroepscommissie ongegrond verklaard. Op 9 oktober 2017 is het Adviescollege verzocht te adviseren over toekomstige (on)begeleide verloven van klager en de frequentie daarvan. De verwachting is dat het Adviescollege in februari 2018 een advies zal uitbrengen. Op 23 januari 2018 heeft de Minister een op 19 december 2017 gedateerd schrijven van klagers raadsvrouw ontvangen waarin kenbaar wordt gemaakt dat het behandeltraject bij het Dok (ingrijpend) is gewijzigd. In dit schrijven wordt verzocht de beslissing van 29 mei 2017 te herzien en de twee in 2017 toegekende verloven in afwachting van het advies van het Adviescollege alsnog te verlenen. De Minister heeft eerdere verlofverzoeken van klager telkens getoetst aan de beslissing 29 mei 2017, nu deze onaantastbaar is geworden. In deze beslissing zijn een tweede en derde verlofverlening in 2017 nadrukkelijk afhankelijk gesteld van de tweede (tussen)rapportage van het Dok, waaruit dient te blijken dat geen contra-indicaties voor verlofverlening bestaan. Een beslissing over (on)begeleid verlof in 2018 zal worden genomen op basis van het advies van het Adviescollege. Een dergelijk advies inzake verlofverlening in 2017 was niet mogelijk, omdat het Adviescollege niet binnen de door de beroepscommissie in haar uitspraak van 12 april 2017 gestelde termijn operationeel was. Het Adviescollege heeft op 13 oktober 2017 te kennen gegeven dat in februari 2018 een advies over klager zal worden uitgebracht. Thans is op korte termijn een advies te verwachten. De Minister heeft nimmer een tweede rapportage van het Dok van klager ontvangen. Op 23 januari 2018 heeft de Minister een schrijven van klagers raadsvrouw ontvangen waaruit blijkt dat een dergelijke rapportage niet voorhanden is vanwege wijzigingen in het behandeltraject. Hoewel reeds in de eerste rapportage van 5 december 2017 melding werd gemaakt van wijzigingen in de vervolgbehandeling, werden deze wijzigingen in die rapportage onvoldoende gespecificeerd. Onduidelijk is hoeveel tijd met de nieuwe (deel)behandeling is gemoeid en wanneer per deelbehandeling een (eind)rapportage kan worden verwachten. Evenmin is duidelijk waarom van de nieuwe onderdelen van het behandelprogramma geen rapportage kan worden opgemaakt. Nu dergelijke onduidelijkheden in het nieuwe behandeltraject in het schrijven van 19 december 2017 niet worden opgehelderd, heeft de Minister de inhoud daarvan niet in het besluitvormingsproces kunnen betrekken. De Minister beschikt niet over een tweede rapportage van het Dok waaruit blijkt dat geen sprake is van contra-indicaties tegen verlofverlening en evenmin over een advies van het Adviescollege. Het verzoek van klager dient daarom te worden afgewezen. Op basis van het advies van het Adviescollege zal een beslissing worden genomen over verlofverlening in 2018.   

 

3.         De beoordeling

De beroepscommissie stelt voorop dat zij in RSJ 12 april 2016, 16/1660/GV, de vraag of incidenteel verlof in het kader van de resocialisatie van klager noodzakelijk wordt geacht, bevestigend heeft beantwoord en heeft geoordeeld dat het niet langer redelijk is klager verlof te onthouden. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat verlof indien nodig onder bewaking of begeleiding kan plaatsvinden. De beroepscommissie is er bij haar beoordeling van uit gegaan dat klager per tussenrapportage inzake zijn behandeling bij het Dok toestemming zal verlenen voor het verstrekken daarvan aan de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Staatssecretaris (thans: de Minister), nu niet werd uitgesloten dat daaruit belemmeringen of risico’s naar voren zouden kunnen komen die aan het daadwerkelijk verlenen van verloven in de weg zouden staan. 

De Staatssecretaris heeft op 29 mei 2017 beslist dat aan klager in 2017 drie keer incidenteel verlof onder begeleiding kan worden verleend na ontvangst van een voltallige rapportage van het Dok en mits uit deze rapportages geen belemmeringen voor verlofverlening voortvloeien.

Per e-mail van 11 mei 2017 is namens klagers (hoofd)behandelaar bij het Dok te kennen gegeven dat de tussenevaluaties na de verschillende behandelfasen zullen plaatsvinden, waarvan de eerste begin september 2017, de tweede eind oktober 2017 en de derde in februari 2018 zou zijn. Na elke tussenevaluatie zou klager een verzoek tot incidenteel verlof kunnen indienen, waarbij hij een tussenrapportage van het Dok moest indienen. Anders dan het Dok aanvankelijk had aangekondigd is de eerste tussenrapportage niet eind september 2017, maar pas op 5 december 2017 verschenen. In deze rapportage is met betrekking tot de vervolgbehandeling van klager het volgende opgemerkt: “De voorgenomen vervolgstappen in zijn behandelplan waren psycho-educatie betreffende ADHD en de introductiemodule van Agressie Regulatie op Maat. Hierna zou gestart worden met de module ‘partner in beeld’. Gekeken naar de behandeldoelen voortkomend uit de eerste fase is een behandeling primair gericht op het aanleren van vaardigheden, zoals psycho-educatie of Agressie Regulatie op Maat, niet zinvol. Patiënt lijkt zich goed bewust van wat ADHD is en wat dit voor hem betekent. Daarnaast lijkt patiënt voldoende vaardigheden te hebben om zich te beheersen bij oplopende spanning (geen aanwijzingen voor impulsieve agressie).”

De door het Dok in het kader van klagers behandeling voorgenomen modules, die elk zouden worden afgesloten met een tussenrapportage, waren na afronding van de eerste module niet langer geïndiceerd. De beroepscommissie stelt vast dat de Staatssecretaris bij het nemen van de beslissing van 29 mei 2017 is uitgegaan van de (aanvankelijk) voorgenomen modules en tussenrapportages op de momenten zoals in de e-mail van 11 mei 2017 vermeld. De wijziging van klagers behandeltraject vindt zijn oorzaak in omstandigheden die buiten de schuld van klager zijn gelegen. De beroepscommissie acht het dan ook niet redelijk dat klager de hem reeds toegekende, althans toegezegde verloven (alsnog) niet worden verleend op gronden die hem niet kunnen worden verweten.

De beroepscommissie heeft reeds in haar tussenbeslissing van 31 augustus 2016 (16/1660/GV) gewezen op het belang van deelname aan resocialisatieactiviteiten, waaronder verloven mede zijn begrepen, voor een zorgvuldige voorbereiding van een gratieverzoek van een levenslanggestrafte. Het Dok heeft het belang van verlofverlening aan klager in het kader van klagers behandeling voorts meermaals onderschreven. In de rapportage van het Dok van 5 december 2017 is onder meer vermeld dat er voor de behandelaren geen zicht op het gedragsmatig functioneren van klager buiten de behandelkamer van zijn huidige setting is en dat er geen oefenmogelijkheden buiten de inrichting zijn, zodat niet kan worden ingeschat hoe klager zal omgaan met stresserende omstandigheden die hij bij het opbouwen van een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan zal tegenkomen. Voorts wordt blijkens de rapportage van 5 december 2017 schematherapie (een therapeutische behandeling die is gericht op patiënten met moeilijk behandelbare psychische stoornissen zoals persoonlijkheidsstoornissen die als doel heeft om oude disfunctionele schema’s bij patiënten te onderkennen en te doorbreken) geïndiceerd geacht. In het (gewijzigde) behandelplan van 13 februari 2018 is echter vermeld dat verschillende situaties/contexten nodig zijn teneinde optimaal van schematherapie te kunnen profiteren. Klagers behandelaren twijfelen of schematherapie voldoende zal aanslaan, als hij zeer weinig buiten de penitentiaire inrichting komt. Dat zou een argument kunnen zijn om de geïndiceerde schematherapie vooralsnog niet aan te bieden, maar pas als sprake zou zijn van frequent verlof.

Tegen deze achtergrond acht de beroepscommissie het niet redelijk klager de hem bij beslissing van 29 mei 2017 toegekende verloven op gronden die hun oorzaak vinden in (gewijzigde) omstandigheden die buiten klagers schuld zijn gelegen, te onthouden. Gelet daarop zal klager binnen afzienbare termijn alsnog tweemaal incidenteel verlof dienen te worden verleend. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat uit de tussenrapportage van 5 december 2017, noch uit de evaluatie van het verlof dat klager op 30 december 2017 heeft genoten, is gebleken van contra-indicaties voor (verdere) verlofverlening. Het feit dat het Adviescollege de Minister op korte termijn zal adviseren omtrent toekomstige verlofverlening aan klager, doet aan het oordeel van de beroepscommissie niet af, nu de verloven die klager (alsnog) dienen te worden verleend, reeds bij beslissing van 29 mei 2017 zijn toegekend.

Het beroep zal, gelet op het voorgaande, gegrond worden verklaard. De Minister zal worden opgedragen klager binnen afzienbare termijn alsnog de hem bij beslissing van 29 mei 2017 toegekende incidentele verloven te verlenen.       

 

4.         De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing. Zij draagt de Minister op binnen een termijn van een maand na ontvangst van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen die ziet op het alsnog verlenen van de twee resterende bij beslissing van 29 mei 2017 toegekende incidentele verloven aan klager.

 

 

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, J.G.A. van den Brand en J. Schagen MA, leden, in tegenwoordigheid van Y.L.F. Schuren, secretaris, op 12 maart 2018.

 

 

 

 

 

 

 

            secretaris         voorzitter

 

 

 

 

Naar boven