Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 18/0088/SGB, 12 januari 2018, schorsing
Uitspraakdatum:12-01-2018

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Nummer          : 18/88/SGB

Betreft : [verzoeker]                                                                                  datum: 12 januari 2018

 

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift, ingediend door mr. M.A. Prins, namens

 

[…], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 73, vierde lid, juncto artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de selectiefunctionaris van 23 november 2017 tot plaatsing op de afdeling voor beheersproblematische gedetineerden (BPG) van de p.i. Vught.

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het bezwaarschrift van 23 november 2017, van de beslissing op het bezwaarschrift van 8 januari 2018, het op 10 januari 2018 tegen de beslissing van de selectiefunctionaris ingediende beroepschrift, alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de selectiefunctionaris van 11 januari 2018.

 

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van een verzoek om schorsing van een beslissing van de selectiefunctionaris slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing van de selectiefunctionaris is genomen in strijd met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de beslissing van de selectiefunctionaris. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

Uit de stukken maakt de voorzitter op dat verzoeker sedert 1 november 2017 in de p.i. Arnhem verblijft. In het selectieadvies van de p.i. Arnhem van 17 november 2017 wordt verzoeker voorgesteld voor plaatsing in een BPG regime. Daarbij wordt verwezen naar artikel 11 van de Regeling plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (individueel regime). Verzoeker vertoont dusdanig negatief gedrag binnen de normaal beveiligde inrichtingen waar hij tot nu toe verbleven heeft dat een individueel regime gepast lijkt en bovenal beter lijkt voor verzoeker en de mensen in zijn directe omgeving (personeel/medegedetineerden). De selectiefunctionaris heeft hierop besloten tot plaatsing van verzoeker in de BPG van de p.i. Vught.

Verzoeker meent dat de beslissing is gebaseerd op onjuiste gronden en onjuiste, onvolledige informatie. Het selectieadvies bevat op meerdere punten onjuistheden en er blijkt van onrechtmatige doorwerking van onjuiste gegevens. Zo worden verzoeker eerdere plaatsingen in PPC en BPG tegengeworpen terwijl deze later als onterecht zijn beoordeeld. Het beschreven gedrag van verzoeker is hoogstens als brutaal te interpreteren; het is geen gedrag waardoor verzoeker een ernstig beheersrisico zou vormen. De belangrijkste grondslag voor de BPG plaatsing van verzoeker lijkt een incident met een medegedetineerde op 16 november 2017. Tegen de beslissing van de directeur hieromtrent lopen diverse beklagzaken. De feiten waarop de plaatsingsbeslissing is gebaseerd zijn allerminst uitgekristalliseerd. Een nadere bestudering van de lijst van maatregelen/disciplinaire straffen betreffende verzoeker die in het selectieadvies is opgenomen, wijst uit dat verschillende maatregelen ten onrechte zijn vermeld. Klager heeft geen eerlijke kans gekregen in de p.i. Arnhem.

De selectiefunctionaris heeft de argumenten die in bezwaar zijn aangevoerd onvoldoende gemotiveerd weerlegd. In de beslissing op bezwaar wordt nog het standpunt van de psychologe van de p.i. Arnhem aangehaald. Verzoeker heeft echter niet gesproken met een psycholoog.

Een (al dan niet onherroepelijk) tot gevangenisstraf veroordeelde gedetineerde dient te worden geplaatst in een inrichting met een regime van algehele dan wel beperkte gemeenschap, tenzij plaatsing in een individueel regime noodzakelijk is. In het individueel regime kunnen gedetineerden worden geplaatst die op grond van hun persoonlijkheid, gedrag of andere persoonlijke omstandigheden, een ernstig beheersrisico vormen voor zichzelf of anderen en ten gevolge daarvan niet in staat zijn in een regime van algehele of beperkte gemeenschap te functioneren of te verblijven.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is hetgeen namens verzoeker naar voren is gebracht onvoldoende gemotiveerd weersproken door de selectiefunctionaris. De bestreden beslissing kan, marginaal toetsend, de toets der redelijkheid niet doorstaan. Gelet hierop zal het schorsingsverzoek worden toegewezen.

 

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de beslissing van de selectiefunctionaris totdat op het beroep is beslist.

 

 

 

Aldus gedaan door mr. M.J. Stolwerk, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Jousma, secretaris op 12 januari 2018

 

 

                         

 

 

 

secretaris                     voorzitter

 

 

 

 

Naar boven