Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 17/2735/GM, 29 december 2017, beroep
Uitspraakdatum:29-12-2017Versie:vergelijk
Vergelijk versie 2 met:
Vergelijk met versie: 1  X

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

nummer: 17/2735/GM

betreft: [klager] datum: 29 december 2017

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift ingediend namens mr. C.H. van Keulen namens

[…], verder te noemen klager,

gericht tegen medisch handelen door of namens de inrichtingsarts verbonden aan de penitentiaire inrichting (p.i.) Lelystad,

alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 30 mei 2017 van de bemiddeling door de medisch adviseur bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Ter zitting van de beroepscommissie van 12 december 2017, gehouden in het Justitieel Complex Zaanstad is klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.H. van Keulen, gehoord.

De inrichtingsarts verbonden aan de p.i. Lelystad is niet ter zitting verschenen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beroep

De klacht, zoals neergelegd in het verzoek om bemiddeling aan de medisch adviseur van 30 mei 2017, betreft het niet bieden van adequate zorg ten aanzien van klagers gebroken hand.

2. De standpunten van klager en de inrichtingsarts

Door en namens klager is het volgende aangevoerd. Vóór zijn detentie heeft klager op Aruba een aantal middenhandsbeentjes gebroken. Bij binnenkomst in de p.i. op 29 maart 2017 heeft klager gemeld bij de medische dienst dat hij door een orthopeed moest worden gezien. Hij heeft toen een verwijsbrief gekregen. Röntgenonderzoek heeft op 5 april 2017 plaatsgevonden. Hij is in Lelystad gezien door een orthopeed die aan zijn botjes heeft getrokken. Hij moest daarna binnen twee weken terugkomen naar het ziekenhuis. Klager heeft de afspraak van 20 april 2017 gemist omdat er geen transport was. Klager kan dit bewijzen. Vervolgens is hij pas op 19 mei 20117 weer gezien in het ziekenhuis en is gezegd dat hij te laat was en dat de botjes verkeerd aan elkaar waren gegroeid. Hij is op 18 juli 2017 gezien in de handkliniek. Klager heeft van de medische dienst vernomen dat zij de foto’s hadden moeten doorsturen, maar mogelijk heeft het ziekenhuis verzuimd om de foto’s door te sturen. Er is een MRI-scan gemaakt van de hand. Er is nog steeds geen vervolgafspraak gemaakt. De wachtlijst is enorm. Klager heeft zijn hand aan de beroepscommissie getoond. Zijn hand doet nog steeds pijn als hij hem strekt, en is gezwollen.

De inrichtingsarts heeft zijn standpunt niet toegelicht.

3. De beoordeling

Uit de behandeling ter zitting en de stukken, met name klagers medische gegevens, volgt dat klager bij binnenkomst in de inrichting op 29 maart 2017 heeft aangegeven dat hij vóór zijn detentie zijn middenhandsbeentjes gebroken had en nog steeds pijn had. Door de medische dienst is geconstateerd dat klagers hand gezwollen was. Vervolgens is klager doorverwezen naar de orthopeed. Door klager is gesteld, hetgeen niet door of namens de inrichtingsarts is betwist, dat de orthopeed aan het gewricht heeft getrokken om de botjes los van elkaar te krijgen en dat hij binnen enkele weken weer door de orthopeed gezien moest worden. Een vervolgafspraak, die is gemaakt voor 20 april 2017, is niet doorgegaan. Pas op 19 mei 2017 is klager weer gezien in het ziekenhuis. Vast is komen staan dat de middenhandsbeentjes niet in de goede stand aan elkaar zijn gegroeid.

De beroepscommissie is van oordeel dat de medische dienst/inrichtingsarts - gelet op de bekende risico’s door het uitblijven van een adequate behandeling voor klagers klachten - zich had dienen te realiseren wat de consequenties zouden kunnen zijn van het missen van de afspraak op 20 april 2017 met de orthopeed en dat dit bezoek aan de orthopeed gefaciliteerd had dienen te worden.

Gelet op het bovenstaande is de beroepscommissie van oordeel dat klager door en/of namens de inrichtingsarts op dit punt onvoldoende zorg is geboden en dat dit in strijd is met de in artikel 28 Pm neergelegde norm. Er is sprake van ernstig letsel en mogelijk blijvend functieverlies. Het beroep zal gegrond worden verklaard en aan klager zal een tegemoetkoming van € 100,= worden toegekend. De tegemoetkoming wordt toegekend in verband met het ondervonden ongemak en betreft geen schadevergoeding.

4. De uitspraak

De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond.

Zij bepaalt de aan klager ten laste van de p.i. Lelystad toekomende tegemoetkoming op € 100,=.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, drs. K.M.P.A.M. Habryka en dr. ing. C.J. Ruissen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.S. van Gemert, secretaris, op 29 december 2017.

secretaris voorzitter

Naar boven