Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 17/0796/SGA, 14 maart 2017, schorsing
Uitspraakdatum:14-03-2017

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

Nummer          : 17/796/SGA

Betreft : [verzoeker]    datum: 14 maart 2017

 

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift,  ingediend door mr. D.G. Nagel, namens

[…], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Leeuwarden.

 

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde inrichting van 6 maart 2017, inhoudende de oplegging van een disciplinaire straf van opsluiting in een strafcel voor de duur van veertien dagen, ingaande op 6 maart 2017 om 16.10 uur en eindigende op 20 maart 2017 om 16.10 uur alsmede intrekking van het verlof. Deze straf is aan verzoeker opgelegd wegens het plegen van fors fysiek geweld naar het personeel.

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 8 maart 2017alsmede van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 10 maart 2017.

 

1.         De beoordeling

De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en beslist. Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.

 

Uit de door de directeur verstrekte inlichtingen is het volgende gebleken. In de avond van 4 maart 2017 is verzoeker door het personeel aangesproken op het feit dat hij (zoals verzoeker blijkbaar vaker deed) door het raam schreeuwde. Omdat verzoeker hier geen enkele reactie op gaf is hem hiervoor op 5 maart 2017 een disciplinaire straf van twee dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, met verwijdering van de televisie, opgelegd. Het personeel werd opgedragen om voor de duur van deze straf het raam op slot te doen zodat verzoeker daar niet meer doorheen kon schreeuwen. In de avond van 5 maart 2017, tijdens de tenuitvoerlegging van genoemde sanctie, is verzoeker verslag aangezegd omdat verzoeker, die een waarschuwing kreeg voor praten door de deur, daar dusdanig op reageerde dat hij betreffend personeelslid voor racist uitmaakte. Hierna heeft dit personeelslid afspraken met verzoeker gemaakt en hem medegedeeld dat als hij zich niet aan die afspraken houdt, hij naar de isolatieafdeling zou kunnen worden overgeplaatst. Verzoeker is die avond op bewaardersarrest in de isolatiecel geplaatst omdat hij de afspraken niet na kwam. Er heeft ’s morgens geen rapportafhandeling plaatsgehad omdat verzoeker op transport moest. Om geen risico van escalatie te laten ontstaan en ten behoeve van de veiligheid van het personeel tijdens het transport zou het rapport later worden afgehandeld. In het kader van de orde, rust en veiligheid is verzoeker toen een ordemaatregel van twee dagen plaatsing in afzondering in een afzonderingscel opgelegd. Blijkens het I.B.T. plaatsingsrapport van 6 maart 2017 ging de plaatsing van verzoeker in de afzonderingscel gepaard met fors fysiek geweld richting het personeel. Nu verzoeker niet of slechts van korte duur reageerde op pogingen van personeel om op 5 maart 2017 te deëscaleren, hij bleef tegenwerken en tijdens de I.B.T.-inzet fysiek agressief was naar het personeel is verzoeker de thans bestreden disciplinaire straf opgelegd.

De voorzitter begrijpt dat het I.B.T. plaatsingsrapport van 6 maart 2017 de grondslag heeft gevormd voor de opgelegde disciplinaire straf. Uit dit verslag, dat heeft geleid tot de oplegging van de onderhavige disciplinaire straf, komt naar voren dat dit verslag niet aan verzoeker is aangezegd door de verslaglegger.

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Pbw dient een schriftelijke mededeling aan de gedetineerde te worden aangezegd. Zonder die aanzegging mag geen disciplinaire straf worden opgelegd. Nu het opgemaakte verslag niet aan verzoeker is aangezegd, mocht verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzitter niet voor de feiten en omstandigheden die in dat verslag zijn vermeld worden gestraft. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de bestreden beslissing van de directeur is genomen in strijd met de wet en dat het verzoek om die reden voor toewijzing in aanmerking komt.

 

2.         De uitspraak

De voorzitter wijst het verzoek toe en schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur met onmiddellijke ingang tot het moment dat de beklagcommissie op het onderliggende beklag zal hebben beslist.

 

 

Aldus gedaan door mr. A. van Waarden, voorzitter, in tegenwoordigheid van B.A. Bogaars,  secretaris, op 14 maart 2017.

 

 

                       

 

 

 

secretaris         voorzitter

 

Naar boven