Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 03/0044/TB, 26 mei 2003, beroep
Uitspraakdatum:26-05-2003

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 03/44/TB

betreft: [klager] datum: 26 mei 2003

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennis genomen van een op 30 december 2002 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een beslissing d.d. 11 december 2002 van de Minister van Justitie, verder te noemen de Minister,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 14 april 2003, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Midden Holland te Alphen a/d Rijn, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.E. Calis, en namens de Minister, mevrouwmr. [...] en de heer [...]. Hiervan is het aangehechte verslag opgemaakt.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Minister heeft beslist klager in het Kempehuis, de landelijke longstay afdeling van de Pompestichting te Nijmegen (hierna: het Kempehuis), te plaatsen.

2. De feiten
Klager is bij onherroepelijke uitspraak d.d. 17 september 1968 veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en ter beschikking gesteld van de regering (tbr). Klager heeft in het kader van de tbr verbleven in het FPC Veldzicht teBalkbrug en de Prof.Mr. W.P.J. Pompekliniek te Nijmegen. De tbr is meermalen onderbroken geweest daar klager wegens recidive vier maal is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van respectievelijk twee, drie, vier endrie jaar met aftrek. In het kader van een bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling uit de eerst vermelde gevangenisstraf van twee jaar heeft klager verbleven in de toenmalige RPI te Eindhoven. Klagers eerstetbr is op 28 januari 1988 beëindigd
Na het eindigen van de tbr is klager wegens recidive op 30 september 1988 veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf met aftrek.
Klager is wegens recidive bij onherroepelijke uitspraak d.d. 12 november 1996 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek en ter beschikking gesteld (tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege. Klager is in hetkader van de huidige tbs op 19 november 2001 geplaatst in de toenmalige Dr. F.S. Meijers Kliniek te Utrecht (hierna: de Meijers Kliniek).
Op 29 juli 2002 heeft de Meijers Kliniek klager bij de Minister aangemeld voor plaatsing in het Kempehuis.
Bij advies d.d. 14 september 2002 van de Landelijke Adviescommissie Plaatsing (LAP) is aangegeven dat de Meijers Kliniek in alle redelijkheid tot de longstay-indicatie heeft kunnen komen. Op 9 december 2002 is klager gehoord overhet voornemen hem in het Kempehuis te plaatsen. De Minister heeft vervolgens op 11 december 2002 beslist klager te plaatsen in het Kempehuis. Deze plaatsing is op 3 februari 2003 gerealiseerd.

3. De standpunten
Door en namens klager is aangevoerd dat hij niet thuishoort op een longstay afdeling. Het is de vraag of klager voldoende behandeling is aangeboden om te kunnen beslissen dat klager op een longstay afdeling geplaatst moestworden. Klager meent dat hem tijdens zijn verblijf in tbs-inrichtingen nooit behandeling is aangeboden en er dus ook nooit sprake van behandeling geweest is, hoewel hij daar wel voor open heeft gestaan en staat. Als men een kleinkind niet leert lopen, zal het kind niet lopen. Ook in de Meijers Kliniek is hem geen behandeling aangeboden. Klager heeft vrijwillig alleen psychomotore therapie gevolgd. Dat ging goed, er bleek resultaat uit voort te komen en hijzou voor psychotherapeutische contacten aangemeld worden. Klager overlegt ter ondersteuning daarvan het verslag van de evaluatiebespreking d.d. 24 september 2002. Het eerste behandelingsplan is maar heel kort met klager besproken,maar toen was het longstayrapport al klaar.
Voorts is het de vraag of voldoende onderzoek is gedaan, nu de longstay aanmelding met name is gebaseerd op meer dan vijf jaar oude justitierapporten. Hem is geen onderzoek van derden inzake toetsing van de bevindingen van deMeijers Kliniek aangeboden.
Klager wenst een gesprek met de commissie die de beoordeling doet voor de longstay-indicatie.

Namens de Minister is de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
Het beroep zal ongegrond zijn. Met inachtneming van de eisen van artikel 11 Bvt zijn de volgende criteria ontwikkeld ter beoordeling van de noodzaak tot en wenselijkheid van plaatsing op een longstay afdeling:
- er dient sprake te zijn van een intramurale behandeling van meer dan zes jaren, waarbij de duur van behandeling in het kader van een eerder opgelegde tbs worden meegenomen;
- er dient, bij voorkeur, sprake te zijn van meerdere behandelpogingen;
- het moet aannemelijk zijn geworden dat voornoemde behandeltrajecten niet hebben geresulteerd in een substantiële vermindering van het delictgevaar en dat de stoornis waaraan betrokkene leed ten tijde van het delict nog steedsaanwezig is;
- de Minister dient zich, alvorens een besluit tot plaatsing op een longstay-afdeling te nemen, te laten adviseren middels een onafhankelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd door de Landelijke Adviescommissie Plaatsing (LAP) .
De LAP bestaat uit een multidisciplinair team van onafhankelijke deskundigen, dat onderzoekt of de behandelaar, gelet op diens verantwoording in de aanmelding van de longstay-kandidaat, in alle redelijkheid (dat wil zeggen metinachtneming van eisen die aan de indicatiestelling in professionele zin gesteld moeten worden) tot de longstay-indicatie heeft kunnen komen.
In de overwegingen tot plaatsing op een longstay-afdeling wordt meegenomen dat de ter beschikking gestelde (tbs-gestelde) niet in aanmerking komt voor doorplaatsing naar een (niet justitiële) GGz-instelling gezien het gevaar dat vanhem uitgaat naar de samenleving.
Klager voldoet aan deze criteria. Er is sprake van een intramurale behandelingsduur van ongeveer 11 jaar die in het kader van twee tbs-maatregelen heeft plaatsgevonden in meerdere tbs-inrichtingen, afgewisseld met langdurigedetentie in penitentiaire inrichtingen vanwege veelvuldige recidive. Voldoende aannemelijk is dat de verschillende behandeltrajecten niet hebben geresulteerd in een substantiële vermindering van het delictgevaar en dat de stoorniswaaraan de tbs-gestelde leed ten tijde van het delict nog steeds aanwezig is, alsmede dat klager niet in aanmerking komt voor doorplaatsing naar een (niet justitiële) GGz-instelling gezien het gevaar dat van hem uitgaat naar desamenleving. Het behandelperspectief is vanwege het ontbreken van effect van eerdere behandelingen en de niet te onderbreken delictketen uiterst somber, terwijl daarnaast valt te verwachten dat een hoge mate van hospitalisatie heeftplaatsgevonden daar klager in de afgelopen 35 jaar iets meer dan een half jaar zelfstandig (zonder justitieel toezicht) in de maatschappij heeft verbleven.
In dit verband wordt gewezen op de historische gegevens inzake zijn veelvuldige recidive en gegevens inzake zijn behandeling in het kader van de huidige tbs in de Meijers Kliniek. Klager wordt omschreven als een in sociaal enintellectueel opzicht zeer beperkte, gescheiden man zonder steunsysteem met een zeer ernstig gestoorde therapie resistente seksueel agressieve driftregulatie, hetgeen naar voren komt in een reeks van, voor zover bekend, twaalfverkrachtingen dan wel aanrandingen dan wel pogingen daartoe. Klager is behandeld op grond van een individueel verplegings- en behandelingsplan met daarin specifieke behandeldoelen en op hem toegesneden therapieën.Resocialisatiepogingen zijn gestaakt in verband met zijn longstay indicatie. De behandelaar heeft zich daarbij gebaseerd op longitudinaal onderzoek uit 2002.
De LAP heeft op 14 september 2002 aangegeven dat uit de aanmelding d.d. 14 september 2002 en het behandelingsplan van 27 maart 2002 van de Meijers Kliniek blijkt dat in hoge mate zekerheid bestaat over de diagnostiek (een in depersoon diepgewortelde, structurele seksuele preferentie tot het habitueel-dwangmatig verkrachten van hem onbekende slachtoffers), dat op verandering gerichte behandelingsactiviteiten niet zijn aangeslagen wegens niet te beïnvloedenhandicaps en en gebreken in de persoonlijkheid van klager, dat het nooit tot pogingen is gekomen om klager te resocialiseren daar klager telkens vrijwel onmiddellijk is gerecidiveerd, dat klager beschouwd wordt als chronisch ernstigdelictgevaarlijk, dat het verblijf in de Meijers Kliniek in hoge mate gekenmerkt wordt door controleren en structureren en dat er thans geen behandelingstechnieken voorhanden zijn om de ongunstige behandelingsprognose in gunstigezin bij te stellen. De LAP heeft op grond daarvan geconcludeerd dat de eindverantwoordelijke behandelaar naar geldend psychiatrisch inzicht in alle redelijkheid tot de vaststelling heeft kunnen komen dat een voortzetting van opverandering gerichte behandeling thans niet langer zinvol is en dat moet worden overgegaan tot op stabiliteit en kwaliteit van leven gerichte zorg in het kader van de tbs. De LAP heeft klager niet bezocht alvorens advies uit tebrengen, daar zij zich voldoende geïnformeerd achtte.
Psychomotore therapie, zoals door klager gevolgd in de Meijers kliniek, is niet gericht op behandeling, maar op het breken van spanning om het welbevinden van de patiënt te verhogen. Deze therapie wordt vaak naast andere therapieëngegeven. In elk leefmilieu kan een psychotherapeut betrokken worden, in klagers geval echter niet ten behoeve van resocialisatie. Vanuit de Meijers Kliniek is een schriftelijke bevestiging ontvangen dat er twee gesprekken hebbenplaatsgehad tussen klager en de psychiater. Na het eerste gesprek bleek er onduidelijkheid te bestaan over de boodschap inzake de longstay-indicatie. In het tweede gesprek is klager ondubbelzinnig te kennen gegeven dat het inzettenvan een resocialisatietraject er echt niet inzit. In die bevestiging, die ter zitting is overgelegd, wordt verder nog aangegeven dat klager geen toestemming heeft gegeven om derden (zoals het Pieter Baan Centrum) hem te latenonderzoeken om de bevindingen van de Meijers Kliniek te toetsen.
4. De beoordeling
Bij de (over)plaatsing van ter beschikking gestelden dient de Minister, op grond van artikel 11, tweede lid, van de Bvt in zijn overwegingen te betrekken:
a) de eisen die de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de ter beschikking gestelde voor de veiligheid van anderen dan de tbs-gestelde of de algemene veiligheid van personen of goederen stelt, en
b) de eisen die de behandeling van de tbs-gestelde gezien de aard van de bij hem geconstateerde gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens stelt.

Met inachtneming van de voornoemde eisen van artikel 11, tweede lid, van de Bvt zijn door de Minister de volgende criteria opgesteld ter beoordeling van de noodzaak tot en wenselijkheid van plaatsing op een longstay afdeling:
- er dient sprake te zijn van een intramurale behandeling van meer dan zes jaren, waarbij de duur van behandeling in het kader van een eerder opgelegde tbs worden meegenomen;
- er dient, bij voorkeur, sprake te zijn van meerdere behandelpogingen;
- het moet aannemelijk zijn geworden dat voornoemde behandeltrajecten niet hebben geresulteerd in een substantiële vermindering van het delictgevaar en dat de stoornis waaraan betrokkene leed ten tijde van het delict nog steedsaanwezig is;
- de Minister dient zich, alvorens een besluit tot plaatsing op een longstay-afdeling te nemen, te laten adviseren middels een onafhankelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd door de Landelijke Adviescommissie Plaatsing (LAP) .
In de overwegingen tot plaatsing op een longstay-afdeling wordt meegenomen dat de ter beschikking gestelde (tbs-gestelde) niet in aanmerking komt voor doorplaatsing naar een (niet justitiële) GGz-instelling gezien het gevaar dat vanhem uitgaat naar de samenleving.

Gelet op de uitgebrachte rapportages omtrent klagers diagnose, behandelbaarheid en delictgevaarlijkheid waaronder de aanmelding voor longstay-plaatsing d.d. 29 juli 2002 en het advies van de LAP d.d. 14 september 2002, die naar hetoordeel van de beroepscommissie alle voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen en betrokken kunnen worden bij de vraag naar de noodzaak om klager te doen verblijven op een longstay afdeling, alsmede de gegevens inzake zijnveroordelingen wegens recidive, heeft de Minister er in redelijkheid van uit mogen gaan dat voortzetting van klagers behandeling zoals deze plaats had in de Meijers Kliniek niet langer aan het doel daarvan beantwoordde, dat klageraan alle criteria voor plaatsing op een longstay afdeling voldoet en dat derhalve een longstay afdeling vooralsnog als de meest aangewezen plaats voor tenuitvoerlegging van de tbs moet worden aangemerkt. Hierbij is met name inaanmerking genomen dat klager ondanks meerdere behandelpogingen als chronisch ernstig delictgevaarlijk wordt beschouwd.
Klagers stelling dat hem nimmer behandeling is aangeboden en derhalve geen sprake van behandeling kan zijn, wordt niet ondersteund door de stukken die door de Minister in het kader van de onderhavige procedure zijn ingebracht,waaronder klagers aanmelding d.d. 29 juli 2002 voor plaatsing op een longstay afdeling, die is gebaseerd op de bevindingen van de Meijers Kliniek sinds klagers verblijf in de inrichting (19 november 2001), uiteraard gerelateerd aande eerder over klager uitgebrachte pro justitia rapportages met betrekking tot de delicten terzake waarvan klager tot twee maal toe tbs is opgelegd.
De omstandigheid dat klager in de Meijers Kliniek vrijwillig psychomotore therapie heeft gevolgd en dat die therapie resultaat had, zoals in het ter zitting overgelegde verslag van de evaluatiebespreking d.d. 24 september 2002 isaangegeven, kan niet leiden tot een ander oordeel. Deze therapie heeft tot doel spanningen weg te nemen en blijkens dat verslag is klager meermalen voorgehouden dat geen sprake was van beleid gericht op resocialisatie, maar vanbeleid dat is gericht op plaatsing van klager op een longstay afdeling, in welk kader hij, ten behoeve van een zo goed mogelijke voorbereiding op de longstay plaatsing, zou worden aangemeld voor psychotherapeutische sessies.

Het hiervoor overwogene in aanmerking genomen is de beslissing klager op de longstay afdeling te plaatsen niet in strijd met de wet en kan deze evenmin als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal derhalve ongegrondworden verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

03/44/TB

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. S.L. Donker, voorzitter, drs. B. van Dekken en mr. Y.A.J.M. van Kuijck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W. Bevaart, secretaris, op 26 mei 2003

secretaris voorzitter

nummer: 03/44/TB

betreft: [...], verder klager te noemen.

Verslag van het behandelde ter zitting van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden van 14 april 2003, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Midden Holland te Alphena/d Rijn.

Samenstelling van de beroepscommissie:
voorzitter: mr. S.L. Donker
leden: drs. B. van Dekken en mr. Y.A.J.M. van Kuijck.
De beroepscommissie is bijgestaan door de secretaris mr. E.W. Bevaart.

Gehoord zijn klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. L.E. Calis, alsmede namens de Minister mevrouw mr. [...] en de heer [...].

Door en namens klager is - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
Het is de vraag of klager voldoende behandeling is aangeboden om te kunnen beslissen dat klager op een longstay afdeling geplaatst moest worden. Klager meent dat hem tijdens zijn verblijf in tbs-inrichtingen nooit behandeling isaangeboden en er dus ook nooit sprake van behandeling geweest is, hoewel hij daar wel voor open heeft gestaan en staat. Als men een klein kind niet leert lopen, zal het kind niet lopen. Ook in de Meijers Kliniek is hem geenbehandeling aangeboden. Klager heeft vrijwillig alleen psychomotore therapie gevolgd. Dat ging goed, er bleek resultaat uit voort te komen en hij zou voor psychotherapeutische contacten aangemeld worden. Klager overlegt terondersteuning daarvan het verslag van de evaluatiebespreking d.d. 24 september 2002. Het eerste behandelingsplan is maar heel kort met klager besproken, maar toen was het longstayrapport al klaar.
Voorts is het de vraag of voldoende onderzoek is gedaan, nu de longstay aanmelding met name is gebaseerd op meer dan vijf jaar oude justitierapporten. Hem is geen onderzoek van derden inzake toetsing van de bevindingen van deMeijers Kliniek aangeboden.

Namens de Minister is - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.
Klager is al enige tijd in behandeling. Resocialisatiepogingen zijn gestaakt in verband met zijn longstay indicatie. De behandelaar heeft zich daarbij gebaseerd op longitudinaal onderzoek uit 2002. De Landelijke AdviescommissiePlaatsing twijfelt niet ten aanzien van diagnostiek, het verloop van de behandelpogingen, het uitblijven van resultaat van behandeling en het onverminderd aanwezig zijn van delictrisico. Klager is chronisch ernstig delictgevaarlijk,er zijn geen behandelingstechnieken voorhanden om de prognose in gunstige zin bij te stellen. Derhalve is behandeling die gericht is op terugkeer in de samenleving niet meer aan de orde, maar wel zorg en verpleging. Psychomotoretherapie is niet gericht op behandeling, maar op het breken van spanning om het welbevinden van de patiënt te verhogen. Deze therapie wordt vaak naast andere therapieën gegeven. In elk leefmilieu kan een psychotherapeut betrokkenworden, in klagers geval echter niet ten behoeve van resocialisatie. Vanuit de Meijers Kliniek is een schriftelijke bevestiging ontvangen dat er twee gesprekken hebben plaatsgehad tussen klager en de psychiater. Na het eerstegesprek bleek er onduidelijkheid te bestaan over de boodschap inzake de longstay-indicatie. In het tweede gesprek is klager ondubbelzinnig te kennen gegeven dat het inzetten van een resocialisatietraject er echt niet inzit. In diebevestiging, die spreker overlegt, wordt verder nog aangegeven dat klager geen toestemming heeft gegeven om derden (zoals het Pieter Baan Centrum) hem te laten onderzoeken om de bevindingen van de Meijers Kliniek te toetsen.

secretaris voorzitter

Naar boven