Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 16/4155/TR en 17/0045/TR, 15 mei 2017, beroep
Uitspraakdatum:15-05-2017

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 16/4155/TR en 17/45/TR

betreft: [klager] datum: 15 mei 2017

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschriften, ingediend door mr. J.J. Serrarens, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen de weigering van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de Staassecretaris) om in navolging van de uitspraak RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR een nieuwe beslissing te nemen, alsmede tegen de alsnog genomen beslissing van
de
Staatssecretaris van 3 januari 2017,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing van 3 januari 2017.

Ter zitting van de beroepscommissie van 5 april 2017, gehouden in de penitentiaire inrichting Vught, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J.J. Serrarens, en namens de Staatssecretaris, [klager], werkzaam bij de Dienst Justitiële
Inrichtingen van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Op 31 maart 2017 zijn van de Staatssecretaris aanvullende stukken ontvangen. Een kopie hiervan is verzonden aan klager en zijn raadsvrouw. Op 3 april 2017 zijn van klagers raadsrouw aanvullende stukken ontvangen. Een kopie hiervan is verzonden aan de
Staatssecretaris.

Namens de Staassecretaris is ter zitting klagers verlofplan en een verslag van een zorgconferentie van 15 juni 2016 deel 1 overgelegd. Een kopie hiervan is verzonden aan klager en zijn raadsvrouw. Klagers raadsvrouw heeft ter zitting een verslag van
een
zorgconferentie van 15 juni 2016 deel 2 overgelegd. Een kopie hiervan is verzonden aan de Staatssecretaris.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De weigering van de Staatssecretaris om in navolging van de uitspraak RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR een nieuwe beslissing te nemen (16/4155/TR);
De beslissing van de Staatssecretaris van 3 januari 2017 strekkende tot intrekking van de machtiging tot het verlenen van transmuraal verlof (17/45/TR).

2. De feiten
Klager is bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak van 17 oktober 2008 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden, met aftrek, en ter beschikking gesteld (tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege. Klager verblijft sinds 19
februari 2009 in FPC De Kijvelanden. Vanaf 16 september 2015 is door de Staatssecretaris machtiging verleend voor transmuraal verlof. Klager is geplaatst in de extramurale voorziening De Gaarshof.
Op 11 april 2016 heeft de Staatssecretaris aan het hoofd van de inrichting meegedeeld dat de machtiging tot transmuraal verlof van rechtswege is komen te vervallen, vanwege ongeoorloofde afwezigheid van klager voor meer dan 24 uur. Klager heeft
hiertegen beroep ingesteld, bekend onder kenmerk RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR.

In voormelde uitspraak heeft de beroepscommissie geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat klager minder dan 24 uur ongeoorloofd afwezig is geweest en dat mitsdien sprake is van een intrekking van de machtiging tot het verlenen van transmuraal
verlof. Zij heeft klagers beroep gegrond verklaard en de Staatssecretaris opgedragen binnen uiterlijk een maand na ontvangst van en met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing te nemen. Op 3 januari 2017 heeft de Staatssecretaris een
nieuwe
beslissing genomen. Gelet op de uitspraak RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR en de inlichtingen in beroep van de Staatssecretaris van 9 februari 2017 strekt deze beslissing tot intrekking van de machtiging tot het verlenen van transmuraal verlof.

3. De standpunten
Door en namens klager is het beroep – samengevat en zakelijk weergegeven – als volgt toegelicht. Op 14 december 2017 heeft de raadsvrouw een beroepschrift ingediend, omdat de Staatssecretaris op dat moment nog geen nieuwe beslissing had genomen.
De Staatssecretaris heeft pas op 3 januari 2017, derhalve niet op tijd, een beslissing genomen. Klager vindt dit onfatsoenlijk. Namens klager is ter zitting desgevraagd aangegeven dat klager het beroep 16/4155/TR handhaaft, omdat hij belang heeft bij
een tijdig genomen beslissing. Als de machtiging niet was ingetrokken, dan had het hoofd van de inrichting (zeer waarschijnlijk) na het vervallen van de machtiging weer een nieuwe verlofmachtiging aangevraagd. Als tijdig was beslist, zou klager
wellicht
al zijn overgeplaatst naar de Pompestichting.
De beslissing van 3 januari 2017 is in strijd met de uitspraak RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR, omdat daarin slechts argumenten worden herhaald die reeds in de eerdere beroepsprocedure naar voren zijn gebracht die de beroepscommissie in de uitspraak
heeft meegenomen; deze argumenten zijn slechts aangevuld met nieuwe en minder relevante argumenten. Klager blijft bij zijn standpunten zoals ingenomen in de eerdere beroepsprocedure. Klager is op 6 april 2016 rond 11.00 uur weggegaan en de dag erna
rond
16.00 uur teruggekeerd in De Gaarshof. Klager heeft nooit een verlofplan gekregen. Hij kon zich dan ook niet houden aan eventueel daarin opgenomen voorwaarden. In De Gaarshof bestaat geen huisregel dat bewoners op bepaalde tijden op hun kamer moeten
zijn. De Staatssecretaris heeft niet weersproken dat klager eerder een nacht afwezig is geweest en dat personeel hem daar toen niet op heeft aangesproken.
Gezien de aanleiding van de terugval is de bestreden beslissing disproportioneel. Klager heeft na een time-out in De Kijvelanden op 3 en 4 april 2016 verzocht om zuchtremmende medicatie. Dit wordt ontkend door De Gaarshof, maar blijkens het overgelegde
e-mailbericht van [...] van 31 maart 2017 heeft contact tussen de inrichting en De Gaarshof plaatsgevonden over het aanbieden van antabus aan klager. Tijdens de time-out was met klager afgesproken dat hij medicatie op verzoek zou krijgen. De gevraagde
medicatie is hem geweigerd. Daarop is klager teruggevallen in alcoholgebruik. Dit is de eerste terugval; het klopt niet dat klager voorafgaand aan de time-out op 25 maart 2016 ook heeft gedronken. Van augustus 2016 tot en met januari 2017 heeft een
terugvalanalyse plaatsgevonden. Klager erkent dat hij op 5 april 2016 niet aanwezig is geweest bij een afspraak met de reclassering. Hij ontkent dat hij toen niet telefonisch bereikbaar was. Bij de gehouden zorgconferentie is voor het eerst aan de orde
geweest dat er een afspraak zou zijn dat klager inzicht in zijn financiën zou hebben moeten geven.

Namens de Staatssecretaris is inzake het beroep het volgende standpunt – samengevat en zakelijk weergegeven – naar voren gebracht. De eerdere uitspraak van de beroepscommissie laat ruimte voor een nadere motivering ten aanzien van de duur van de
ongeoorloofde afwezigheid van klager en de mogelijkheid tot intrekking van de verlofmachtiging. Hoewel het een en ander valt af te dingen op de stellingen die met betrekking tot de duur van de ongeoorloofde afwezigheid op de vorige zitting aan de orde
zijn geweest, wordt daarop verder niet meer ingegaan, omdat naar het oordeel van de beroepscommissie sprake is van een intrekking van klagers verlofmachtiging. Het is vervelend dat de nieuwe beslissing niet binnen de daarvoor gestelde termijn is
genomen, maar het gaat om een machtiging die op 16 september 2015 is verleend met een geldigheidsduur van een jaar en deze zou, als deze niet op 7 april 2016 was ingetrokken, geldig zijn geweest tot 16 september 2016. De machtiging was ten tijde van de
uitspraak 16/2315/TR al verlopen. De Kijvelanden heeft geen beroep gedaan op de hardheidsclausule teneinde binnen een jaar een nieuwe verlofmachtiging aan te vragen. Het ging niet goed met klager om welke reden in juni 2016 een zorgconferentie is
gehouden. Tijdens deze zorgconferentie is afgesproken dat klager tot december 2016 de tijd zou krijgen om gemaakte afspraken na te komen. Daarna zou worden bezien of overplaatsing naar een transmurale voorziening weer aan de orde zou kunnen zijn. Tot
op
heden is het de vraag hoe het verder moet gaan met klager, los van de machtigingskwestie. Inmiddels heeft De Kijvelanden verzocht klager over te plaatsen. Bij een ander oordeel over de verlofmachtiging zou het behandelverloop niet anders zijn geweest
dan nu het geval is. Een nieuwe inrichting zou nooit vóór 7 april 2017 een aanvraag machtiging transmuraal verlof hebben kunnen indienen. Daarom heeft klager een zeer beperkt belang bij het beroep 16/4155/TR. Bovendien is op 3 januari 2017 alsnog een
beslissing genomen.
De beslissing tot intrekking van de verlofmachtiging is niet alleen gebaseerd op de omstandigheid dat klager alcohol heeft gebruikt, maar op het gehele verloop van de gebeurtenissen. Hij is op 5 april 2016 niet verschenen bij een afspraak met de
reclassering. Gepoogd is klager telefonisch te bereiken, maar zijn telefoon stond uit. Ook wilde hij niet vertellen waar hij was geweest, wanneer en met wie. Uit het verslag van de zorgconferentie blijkt dat klager ook geen openheid van zaken wilde
geven over andere zaken, waaronder zijn financiën. Het ter zitting overgelegde verlofplan is een onderdeel van klagers behandelplan en gold ook in de maand april 2016. Klager was op grond van het verlofplan verplicht in De Gaarshof te overnachten. De
Staatssecretaris heeft in RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR aangevoerd dat voor alle patiënten duidelijk is dat een overnachting buiten de instelling niet is toegestaan. Ook klager is op de hoogte van deze verlofvoorwaarde.

4. De beoordeling
Ten aanzien van het beroep met kenmerk 16/4155/TR overweegt de beroepscommissie dat het belang aan klagers beroep is komen te ontvallen, omdat de Staatssecretaris – zij het te laat – in navolging van de uitspraak RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR alsnog
een nieuwe beslissing heeft genomen waartegen beroep is ingesteld, waarop bij onderhavige uitspraak (inhoudelijk) zal worden beslist. Om deze reden dient klager niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit beroep.

Ten aanzien van het beroep met kenmerk 17/45/TR overweegt de beroepscommissie het volgende. Aan de orde is alleen de vraag of de beslissing van de Staatssecretaris van
3 januari 2017, waarin wordt bevestigd dat de machtiging tot het verlenen van transmuraal verlof met ingang van 7 april 2016 is ingetrokken, in strijd is met de wet dan wel onredelijk of onbillijk is.

In RSJ 4 november 2016, 16/2315/TR heeft de beroepscommissie overwogen dat klager onbestreden heeft gesteld dat hij desgevraagd geen zuchtremmende medicatie uitgereikt heeft gekregen en dat de Staatssecretaris onvoldoende heeft weerlegd dat met klager
afspraken waren gemaakt dat hij deze medicatie op verzoek zou krijgen. Voorts heeft zij overwogen dat niet duidelijk is of de schending van de voorwaarde van alcoholonthouding op 4, 5 en 6 april 2017 een op zichzelf staand incident is dan wel past in
een patroon.

Uit de door partijen overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting komt naar voren dat klager en de Staatsecretaris, laatstgenoemde op basis van informatie vanuit De Kijvelanden en De Gaarshof, volharden in hun standpunten met betrekking tot de
zuchtremmende medicatie. Klager stelt daarom tevergeefs te hebben gevraagd, ondanks de gemaakte afspraken. Volgens de door de Staatssecretaris ontvangen informatie is
met klager afgesproken dat hij op verzoek zuchtremmende medicatie kon krijgen, maar heeft hij hier begin april 2016 niet om verzocht maar juist aangegeven nog geen zucht naar alcohol te ervaren. De beroepscommissie ziet geen reden te twijfelen aan de
juistheid van deze informatie en gaat daarom voorbij aan klagers stelling dat hij deze medicatie desgevraagd niet heeft gekregen. Voorts blijkt uit de nieuwe beslissing dat klager eerder in maart 2016 de voorwaarde van alcoholonthouding heeft
overtreden, waarvan ook melding wordt gemaakt in het overplaatsingsadvies van De Kijvelanden van 27 februari 2017.

Vast staat dat begin april 2016, dus snel na de time-out in De Kijvelanden van 25 tot 30 maart 2016, sprake was van fors alcoholgebruik door klager. Daarnaast komt uit de stukken naar voren dat klager niet aanwezig was bij een afspraak met de
reclassering op 5 april 2016 om 13.00 uur, hetgeen klager ter zitting ook heeft bevestigd. Aannemelijk is geworden dat klager vervolgens niet (goed) telefonisch bereikbaar was. Op pagina 6 van het verslag van de terugvalanalyse is immers vermeld dat
klager diezelfde dag is gebeld met de mededeling dat hij zich niet had gemeld bij de reclassering, dat klager daarop reageerde met de mededeling dat hij aan het drinken was en dat hij denkt dat hij daarna zijn telefoon heeft uitgezet. Aan klagers
verklaring ter zitting dat hij wel bereikbaar was kan daarom geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, is de beslissing tot intrekking van de machtiging tot het verlenen van transmuraal verlof naar het oordeel van de beroepscommissie niet in strijd met de wet en kan deze, bij
afweging van alle in aanmerking komende belangen, evenmin als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep met kenmerk 16/4155/TR.
De beroepscommissie verklaart het beroep met kenmerk 17/45/TR ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. A. van Holten, voorzitter, mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester en drs. M.J. Selnick Marzullo, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Boerhof, secretaris, op 15 mei 2017

secretaris voorzitter

Naar boven