Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 16/3656/SGA, 1 november 2016, schorsing
Uitspraakdatum:01-11-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer : 16/3656/SGA
Betreft : [klager datum: 1 november 2016

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift van

[...], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de locatie Roermond.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur van voormelde locatie van 27 oktober 2016, inhoudende de oplegging van een disciplinaire straf
van opsluiting in een strafcel voor de duur van tien dagen, ingaande op 27 oktober 2016 om 12.00 uur en eindigende op 6 november 2016 om 12.00 uur, wegens het tijdens een controle aantreffen van een behoorlijke hoeveelheid harddrugs, welke als
handelswaar wordt aangemerkt. Deze straf wordt aansluitend aan een eerder opgelegde disciplinaire straf ten uitvoer gelegd.

De voorzitter heeft kennisgenomen van de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 31 oktober 2016 alsmede van de mededeling van de secretaris van de beklagcommissie bij voormelde locatie inhoudende dat het verzoek als nieuwe klacht zal worden
ingeboekt.

1. De beoordeling
De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en
beslist.
Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de
(verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat niet het geval. De voorzitter stelt vast dat verzoeker niet betwist dat er bij een controle op 24 oktober 2016 een hoeveelheid harddrugs bij hem is aangetroffen.
Verzoeker zou dit ook tijdens de afhandeling van het verslag op 27 oktober 2016 hebben toegegeven. Verzoeker heeft in zijn schorsingsverzoek aangevoerd dat hem vanwege een tandtransplantatie onvoldoende nazorg kan worden geboden in de strafcel omdat
het
in de strafcel onmogelijk is om na iedere maaltijd zijn tanden te poetsen en ook dat er sprake is van een dubbele bestraffing omdat de bestreden disciplinaire straf werd opgelegd terwijl een eerdere disciplinaire straf ten uitvoer werd gelegd.
Laatstgenoemd verweer van verzoeker, dat er in dit geval sprake is van een dubbele bestraffing wordt verworpen nu er geen sprake is van bestraffing voor één en hetzelfde feit. De stelling van verzoeker dat hem geen nazorg kan worden geboden kan evenmin
doel treffen. Verzoeker heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Gelet op het voorgaande moet het schorsingsverzoek worden afgewezen.

2. De uitspraak
De voorzitter wijst het verzoek af.

Aldus gedaan door mr. J.D. den Hartog, voorzitter, in tegenwoordigheid van B.A. Bogaars, secretaris, op 1 november 2016.

secretaris voorzitter

Naar boven