Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 17/0050/GA, 21 maart 2017, beroep
Uitspraakdatum:21-03-2017

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 17/0050/GA

betreft: [klager] datum: 21 maart 2017

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. K.R. Verkaart, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 4 januari 2017 genomen beslissing van de directeur van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 3 maart 2017, gehouden in de p.i. Vught, zijn gehoord klager, bijgestaan door zijn raadsman mr. K.R. Verkaart, dhr. [...], plaatsvervangend vestigingsdirecteur van het PPC van de p.i. Vught, en mw. [...], juridisch
medewerker bij voornoemde inrichting.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van de bestreden beslissing
Het beroep betreft de beslissing van de directeur van 4 januari 2017, inhoudende dat klager wordt verplicht tot het ondergaan van een onvrijwillige geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 46d, aanhef en onder a, van de Pbw (verder:
a-dwangbehandeling) voor de duur van drie maanden.

2. De standpunten van klager en de directeur
Door en namens klager is in beroep het standpunt als volgt toegelicht. Klager heeft eerder medicatie toegediend gekregen door middel van een b-dwangbehandeling, waarna klager redelijk gestabiliseerd is. Het is de vraag of a-dwangbehandeling wel
noodzakelijk is. De dwangbehandeling druist in tegen klagers karakter. Door de dwangbehandeling is hij niet in staat om het maximale uit zichzelf te halen, bijvoorbeeld voor wat betreft het studeren. Zonder medicatie functioneert klager beter. In het
huis van bewaring kon hij zich ook staande houden zonder medicatie.
Bij de beslissing van 4 januari 2017 wordt verwezen naar een second opinion van een psychiater die niet bij de behandeling van klager betrokken is. Conform artikel 46e, tweede lid, van de Pbw dient deze second opinion gebaseerd te zijn op een onderzoek
dat ‘kort tevoren’ heeft plaatsgevonden. De second opinion dateert van 12 december 2016. Dit is ruim drie weken voor de definitieve beslissing tot a-dwangbehandeling, hetgeen niet als kort tevoren kan worden aangemerkt. Verder is de beslissing tot
toepassing van
a-dwangbehandeling voor de maximale termijn van drie maanden op geen enkele wijze gemotiveerd.
Klager voert aan dat de psychiaters die de stukken hebben opgesteld niet onafhankelijk zijn, maar allemaal vriendjes zijn van elkaar. De behandelrelatie tussen klager en de medewerkers is verstoord, waardoor de second opinion juist van belang is.
Klager
heeft niet het idee dat er echt naar hem geluisterd wordt. Klager verblijft al weken in een isoleercel en hij gaat er vanuit dat dit verblijf verlengd wordt tot hij op 15 maart 2017 wordt overgeplaatst naar het Pieter Baan Centrum. Een nieuwe,
onafhankelijke, beoordeling door een andere psychiater is een mogelijkheid, al gaat het klager er voornamelijk om dat de
a-dwangbehandeling niet noodzakelijk is.
Het feit dat klagers raadsman niet is geïnformeerd over het voornemen tot
a-dwangbehandeling wordt buiten beschouwing gelaten, evenals het al dan niet in acht genomen zijn van de 72-uurs-wachttermijn. Klager wenst een inhoudelijk oordeel over (de beëindiging van) de toegepaste a-dwangbehandeling.

De directeur heeft in beroep het standpunt als volgt toegelicht. Het voornemen tot
a-dwangbehandeling is op 27 december 2016 met klager besproken, maar het informeren van de commissie van toezicht en de advocaat heeft niet direct plaatsgevonden.
Klagers gesteldheid is langdurig instabiel. De noodzaak tot a-dwangbehandeling is nog steeds aanwezig. Of de a-dwangbehandeling al dan niet geholpen heeft, kan de directeur niet zeggen. De directeur heeft er voor gekozen om de second opinion van 12
december 2016 te gebruiken, omdat er in de tussenliggende periode weinig verandering te zien was in klagers gedrag. De psychiater van de second opinion is ingehuurd en is derhalve onafhankelijk. Klager verblijft nog steeds in een afzonderingscel. Hij
wordt binnenkort overgeplaatst naar het Pieter Baan Centrum.

3. De beoordeling
De directeur heeft de beslissing tot toepassing van a-dwangbehandeling gebaseerd op de verklaringen van de behandelend psychiater van klager en van een psychiater die niet bij klagers behandeling betrokken is, maar klager kort tevoren heeft onderzocht.
In navolging van het bepaalde in artikel 46e, tweede lid, van de Pbw heeft de directeur de verklaringen van die psychiaters overgelegd. Voorts is namens de directeur een uittreksel uit klagers behandelplan overgelegd, waarin de mogelijkheid tot
toepassing van dwangbehandeling met medicatie ten aanzien van klager is vermeld.

Door klagers raadsman wordt betwist dat het onderzoek voor de second opinion kort tevoren heeft plaatsgevonden. Los daarvan heeft klager ter zitting aangegeven geen vertrouwen te hebben in de onafhankelijkheid van de psychiater die betrokken is bij de
second opinion. De beroepscommissie acht het van essentieel belang dat klager zich verzekerd ziet van een onafhankelijke beoordeling. Uit het verhandelde ter zitting maakt de beroepscommissie op dat klager op 15 maart 2017 wordt overgeplaatst naar het
Pieter Baan Centrum. Aldaar zal klager onderzocht worden door andere gedragsdeskundigen en zal er nader over hem gerapporteerd worden. Ten tijde van het doen van de uitspraak over het onderhavige beroep zal die overplaatsing reeds zijn gerealiseerd.
Alles overziende ziet de beroepscommissie bij deze stand van zaken onvoldoende aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van een nieuwe rapportage over klager. Nu tussen het uitbrengen van de second opinion op 12 december
2016 en de voorgenomen beslissing tot a-dwangbehandeling van 27 december 2016 een periode van ongeveer twee weken is verstreken en dit in redelijkheid nog als ‘kort tevoren’ kan worden aangemerkt, zal de beroepscommissie overgaan tot een inhoudelijke
beoordeling.

Uit de verklaringen van de psychiaters en uit het behandelplan komt het volgende naar voren. Er is sprake van een stoornis van de geestvermogens, namelijk een recidief psychose met een paranoïde vorm van schizofrenie. Klager ontkent stemmen te horen,
maar vertoont kenmerken van akoestische hallucinaties. Klager weigert eten en drinken en heeft vergiftigingswanen. Hij is in toenemende mate geagiteerd en uit forse bedreigingen naar het personeel. Hij is ook fysiek dreigend en probeert het personeel
te
bespugen. Hierdoor verblijft hij in de afzondering. Er is sprake van gevaar dat klager een ander ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen. Op 18 november 2016 heeft klager een strangulatiepoging gedaan, waardoor ook rekening gehouden dient te worden
met het risico dat klager zichzelf ernstig letsel kan toebrengen. Er bestaat een causaal verband tussen het gevaar en de stoornis. Klager heeft weigert medicatie in te nemen.

Gelet op het vorenstaande acht de beroepscommissie aannemelijk geworden dat klager een psychiatrische stoornis heeft, dat hij vanuit die stoornis gevaar als bedoeld in artikel 46a van de Pbw veroorzaakt en dat, zonder een geneeskundige behandeling,
het
gevaar dat de stoornis van zijn geestvermogens klager kan veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Tevens is aannemelijk geworden dat de gekozen dwangbehandeling voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en
doelmatigheid. De beslissing van de directeur om bij klager de a-dwangbehandeling als bedoeld in artikel 46d, aanhef en onder a, van de Pbw voor de duur van drie maanden toe te passen kan derhalve niet worden aangemerkt als onredelijk en onbillijk. Het
beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.W. Wabeke, voorzitter, U.P. Burke en mr. M.A.G. Rutten, leden, in tegenwoordigheid van
mr. S. Blankenspoor, secretaris, op 21 maart 2017.

secretaris voorzitter

Naar boven