Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 16/2048/GB, 13 september 2016, beroep
Uitspraakdatum:13-09-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 16/2048/GB

Betreft: [Klaagster] datum: 13 september 2016

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. A.T. van Rhijn, namens

[...], verder te noemen klaagster,

gericht tegen een op 10 juni 2016 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de beslissing waarvan beroep.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft klaagsters verzoek tot plaatsing in de beperkt beveiligde inrichting (b.b.i.) van de locatie Ter Peel te Sevenum afgewezen.

2. De feiten
Klaagster is sedert 2 december 2014 gedetineerd. Zij verblijft in de gevangenis van de locatie Ter Peel. Zij heeft een verzoek tot plaatsing in de b.b.i. van de locatie Ter Peel ingediend, dat op 10 juni 2016 is afgewezen.

3. De standpunten
3.1. Namens klaagster is het beroep als volgt toegelicht. De motivering van de afwijzing van klaagsters verzoek, namelijk dat zij zich tijdens haar huidige detentie voor langere tijd aan detentie heeft onttrokken, stemt niet overeen met de feiten.
Het ‘onttrekken’ aan detentie impliceert dat klaagster moedwillig en opzettelijk niet aanwezig was in de locatie Ter Peel. Hiervan is volgens klaagster echter geen sprake geweest, nu zij in de periode dat zij zich zou hebben onttrokken aan haar
detentie
om ernstige medische redenen in het ziekenhuis opgenomen is geweest. Zij heeft gezondheidsproblemen overgehouden aan een zware bevalling. Daarnaast verblijft klaagster momenteel op dezelfde afdeling als de weduwe van de man die door klaagsters
echtgenoot om het leven is gebracht. Zij wil graag haar kinderen zien, maar op de afdeling waar zij thans verblijft, is de kans op represailles te groot. Het is dus van groot belang voor klaagster en voor haar kinderen dat zij in de b.b.i. wordt
geplaatst en niet langer op haar huidige afdeling zal verblijven.

3.2. De selectiefunctionaris heeft de afwijzing van genoemd verzoek als volgt toegelicht. Uit het selectieadvies van de directeur van de locatie Ter Peel komt naar voren dat klaagster zich tweemaal heeft onttrokken aan haar detentie, van 19 februari
2013 tot 19 november 2013 en van 5 februari 2015 tot 20 december 2015. Vanwege de recente laatste onttrekking bestaat vanuit de locatie Ter Peel geen vertrouwen in een goede afloop van plaatsing in de b.b.i. Daarnaast blijkt uit de door klaagster
meegezonden verklaring van de politie weliswaar dat klaagsters signalering met ingang van 13 juli 2015 voor bepaalde tijd is opgeschort, maar dit doet aan de onttrekking niet af. Er is, althans in de periode van 5 februari 2015 tot 13 juli 2015, sprake
van moedwillige onttrekking. Daarenboven is klaagster in België aangehouden voor het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daar klaagster niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid onder a, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van
gedetineerden (de Regeling) gestelde voorwaarde van een beperkt vlucht- en maatschappelijk risico, acht de selectiefunctionaris klaagster niet geschikt voor plaatsing in een b.b.i.

3.3. Ten aanzien van klaagsters verzoek tot plaatsing in de b.b.i. van de locatie Ter Peel zijn de volgende adviezen uitgebracht. De politie Midden- en West-Brabant adviseert positief ten aanzien van klaagsters verzoek, mits het verlof plaatsvindt
op
doordeweekse dagen, zij een locatiegebod krijgt opgelegd en dit wordt gecontroleerd met elektronisch toezicht. Deze voorwaarden worden verzocht teneinde te voorkomen dat klaagster haar kinderen zal opzoeken, die zijn opgebloeid sinds zij uit huis zijn
geplaatst. De reclassering adviseert eveneens positief, onder de voorwaarde dat klaagster onder elektronisch toezicht wordt gesteld. Het Multidisciplinair Overleg (MDO) geeft een positief advies vanwege klaagsters gemotiveerde indruk en het feit dat
zij
goed meedraait in het resocialisatieprogramma. De advocaat-generaal van het ressortparket Den Bosch adviseert negatief, daar een ernstig vermoeden bestaat dat klaagster zich aan haar detentie zal onttrekken. De vrijhedencommissie van de locatie Ter
Peel
geeft een negatief advies, daar klaagster zeer recent tijdens haar detentie niet is teruggekeerd van haar verlof en zij haar kind heeft achtergelaten in de locatie Ter Peel.

4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 3 van de Regeling kunnen in een b.b.i. gedetineerden worden geplaatst die een beperkt vlucht- en maatschappelijk risico vormen, een strafrestant hebben van maximaal achttien maanden, beschikken over een aanvaardbaar
verlofadres en die zijn gepromoveerd (wijziging van de Regeling met ingang van 1 maart 2014, Stcrt. 2014, nr. 4617).

4.2. Uit het selectieadvies komt naar voren dat klaagster tweemaal niet is teruggekeerd van haar verlof. De eerste maal is zij na haar bevalling in het penitentiair ziekenhuis op 19 februari 2013 pas op 19 november 2013 teruggekeerd. De tweede maal
is zij na haar verlof vanuit het moeder-met-kindhuis op 5 februari 2015, op 20 december 2015 teruggekeerd. Uit de stukken volgt dat klaagsters signalering, in verband met het niet terugkeren van haar verlof, is opgeschort en op 13 juli 2015 uit het
opsporingsregister is verwijderd, daar zij vanwege complicaties bij haar zwangerschap in een ziekenhuis verbleef. Op 6 november 2015 is evenwel besloten de opschorting van klaagsters signalering te laten vervallen, nu klaagster inmiddels in België was
aangehouden in verband met mogelijke betrokkenheid bij het plegen van nieuwe strafbare feiten. Wat van dit laatste ook zij, gelet op het vorenstaande heeft de selectiefunctionaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gevreesd moet
worden dat klaagster zich opnieuw aan detentie zal onttrekken. Daarmee is niet aan de in artikel 3, eerste lid onder a, van de Regeling gestelde voorwaarde van een beperkt vlucht- en maatschappelijk risico voldaan, zodat klaagster niet in aanmerking
komt voor plaatsing in de b.b.i.

4.3. Gelet op het vorenstaande kan de op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal
derhalve ongegrond worden verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, J.G.A. van den Brand en mr. M.A.G. Rutten, leden, in tegenwoordigheid van Y.L.F. Schuren, secretaris, op 13 september 2016.

secretaris voorzitter

Naar boven