Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 17/1138/GA, 21 augustus 2017, beroep
Uitspraakdatum:21-08-2017

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

 

nummer:   17/1138/GA

 

betreft:     […]                                                                               datum: 21 augustus 2017

 

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. H.M. van Dunsbergen, namens

[…], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 27 maart 2017 van de beklagcommissie bij de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 21 juli 2017, gehouden in de p.i. Vught, is […], juridisch medewerker bij de p.i. Vught gehoord.
Klagers raadsman, mr. H.M. Dunsbergen heeft schriftelijk laten weten dat hij noch klager gebruik zullen maken van de gelegenheid om ter zitting te worden gehoord. De raadsman heeft een schriftelijke toelichting op het beroep ingediend.
 

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

 

  1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
    Het beklag betreft een disciplinaire straf van vier dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, met verwijdering van de televisie, wegens belediging en bedreiging van het personeel. Daarnaast is een eerder voorwaardelijk opgelegde disciplinaire straf van één dag opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel met verwijdering van de televisie alsnog ten uitvoer gelegd (VU 2017-295).

    De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.
     

  2. De standpunten van klager en de directeur
    Klager heeft in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt schriftelijk als volgt, zakelijk weergegeven, toegelicht.
    De beklagcommissie geeft in haar beslissing van 30 maart 2017 aan dat het bericht van de raadsman van de klager is ontvangen. Met dit bericht heeft de raadsman aangegeven verhinderd te zijn voor het bijwonen van de zitting. In dit bericht is tevens een toelichting gegeven op het standpunt van cliënt. Het bericht van de raadsman is aan de stukken toegevoegd, terwijl de aanvullende gronden van het beklag niet door de beklagcommissie zijn betrokken bij de te nemen beslissing. Hierdoor zijn de namens cliënt aangevoerde gronden niet dan wel onvoldoende betrokken in de beoordeling van het beklag van cliënt. Tevens heeft er hierdoor geen zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, terwijl het op de weg van de beklagcommissie had gelegen om aan de hand van alle feiten en omstandigheden inzichtelijk te maken waarom de beslissing van de directeur niet onredelijk of onbillijk wordt geacht. Zoals ook uit het beklagformulier van klager van 7 februari 2017 volgt heeft hij negatieve ervaringen met een personeelslid gehad. Om die reden heeft hij een ander personeelslid benaderd voor een pasje om te sporten. Toen dit personeelslid zijn pasje weigerde raakte cliënt gefrustreerd omdat hij graag wilde sporten. Dat hij zich toen enigszins onfatsoenlijk heeft uitgelaten tegen het personeel hierover betwist hij niet. Wel betwist hij dat hij hiermee de orde, rust en veiligheid in gevaar heeft gebracht. Ook betwist hij het verdere verloop zoals vermeld in het schriftelijk verslag. Voor zover het gedrag van klager in beginsel voldoende aanleiding geeft voor het opleggen van een disciplinaire straf, stelt hij zich op het standpunt hier niet verantwoordelijk voor te kunnen worden gesteld. Uit het schriftelijk verslag volgt geheel niet dat rekening is gehouden met de omstandigheden van de situatie. Cliënt heeft een conflict juist willen voorkomen door een ander personeelslid te benaderen voor zijn pasje. Namens klager wordt verzocht het beklag alsnog gegrond te verklaren en aan hem een tegemoetkoming toe te kennen.

    Namens de directeur is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
    Klager heeft de instructies van het personeel niet opgevolgd en hen bedreigd en uitgescholden. Dat was voor de directeur voldoende aanleiding voor het opleggen van de hier aan de orde zijnde disciplinaire straf. Klager heeft tegenover de directeur aangegeven dat hij een en ander ook wel begreep en hij heeft later, zo valt uit de dagrapportage te lezen, aangegeven dat hij niet echt een probleem had met het feit dat hem hiervoor de hier aan de orde zijnde disciplinaire straf is opgelegd.
     

  3. De beoordeling
    Het incident waarvoor aan klager de hier aan de orde zijnde disciplinaire straf is opgelegd staat als onweersproken vast. Dat gedrag is door de directeur beoordeeld als bedreiging en belediging van het personeel. Uit het van het incident opgemaakte verslag wordt voldoende aannemelijk dat verzoeker zich toen bedreigend en beledigend heeft opgesteld jegens een personeelsleden. Dergelijk gedrag is strafwaardig en de directeur mocht daarvoor dan ook een disciplinaire straf opleggen. De bestreden beslissing van de directeur kan, ook gelet op de hoogte van de opgelegde disciplinaire straf, bezien in samenhang met het landelijk geldende sanctiebeleid voor dit soort feiten – zoals is vastgelegd in de Sanctiekaart 2016 Landelijk –, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt.

    Hetgeen in beroep is aangevoerd kan daarom – voor zover een en ander is komen vast te staan – niet leiden tot een andere uitspraak dan die van de beklagcommissie. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard en de uitspraak van de beklagcommissie zal worden bevestigd.
     

  4. De uitspraak
    De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie.
     

    Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.W. Wabeke, voorzitter, J. Schagen MA en drs. P.J.M. van Puffelen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 21 augustus 2017.

     

     

                         secretaris                                                           voorzitter

     

Naar boven