Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 16/1202/GB, 24 mei 2016, beroep
Uitspraakdatum:24-05-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 16/1202/GB

Betreft: [Klager] datum: 24 mei 2016

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 4 april 2016 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de beslissing waarvan beroep.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft het bezwaarschrift van klager gericht tegen de beslissing hem te plaatsen in de gevangenis van de locatie Zoetermeer ongegrond verklaard.

2. De feiten
Klager is sedert 4 september 2014 gedetineerd. Hij verbleef in de zeer beperkt beveiligde inrichting van de locatie Scheveningen. Op 8 februari 2016 is hij in de gevangenis van de locatie Zoetermeer geplaatst, waar een regime van beperkte gemeenschap
geldt. Klagers v.i.-datum is vastgesteld op 17 juni 2016.

3. De standpunten
3.1. Klager heeft het beroep als volgt toegelicht.
De selectiefunctionaris stelt dat klager niet bereid is mee te werken aan het ontstaan van een detentieplan. Dit is echter een misverstand. Klager heeft alleen zijn persoonlijke voorkeuren uitgelegd maar niet geweigerd om mee te werken. Ook zou hij
volgens de selectiefunctionaris elektronische controle tijdens een penitentiair programma (p.p.) niet accepteren. Als de toepassing van elektronische controle het verschil zou maken tussen het wel of niet zien van zijn kinderen, is klager bereid een
enkelband te dragen. Voorts stelt de selectiefunctionaris dat klager niet beschikt over een aanvaardbaar verlofadres. Klager staat echter op het verlofadres ingeschreven bij de bevolkingsadministratie van Den Haag. Bovendien is klager werkzaam als
makelaar en heeft derhalve eenvoudig toegang tot een ruime keus aan woonruimten. Daarnaast heeft klager de indruk dat niet naar hem wordt geluisterd, zelfs niet door de p.i.w.-ers van de locatie Zoetermeer. Met name klagers mentor is verantwoordelijk
voor het mislukken van zijn detentiefasering. Klager heeft in de acht maanden voorafgaand aan zijn verlof namelijk geen enkel probleem veroorzaakt in de penitentiaire inrichting (p.i.) Lelystad. Klager verzoekt te worden gehoord.

3.2. De selectiefunctionaris heeft de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
Klager wil niet meewerken aan de totstandkoming van een detentieplan, ondanks meerdere gesprekken die met hem zijn gevoerd vanuit de locatie Scheveningen en de reclassering. Zo heeft de reclassering tot drie keer toe geprobeerd een plan voor het p.p.
tot stand te brengen. Tevens heeft klager aangegeven niet te willen meewerken aan de voorwaarden van een p.p. met elektronische controle. Gezien de houding van klager heeft de reclassering op 2 februari 2016 negatief geadviseerd ten aanzien van
deelname
aan een p.p. met elektronische controle.

Hoewel klager stelt dat alles op een misverstand berust, is het de selectiefunctionaris voldoende aannemelijk geworden dat klager niet heeft willen meewerken. Daarnaast beschikt klager niet meer over een aanvaardbaar verlofadres, hetgeen op grond van
artikel 2, eerste lid, onder d, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (de Regeling) een hard objectief criterium is voor plaatsing in een z.b.b.i. dan wel deelname aan een p.p. Dat klager een vaste woon- en
verblijfplaats stelt te hebben, zegt niets over de aanvaardbaarheid van het verlofadres, nu de huidige bewoner heeft aangegeven dat klager niet meer welkom is.

3.3. Naar aanleiding van klagers gedrag tijdens zijn verblijf in de z.b.b.i. van de locatie Scheveningen, zijn de volgende adviezen uitgebracht.

De reclassering adviseert op 2 februari 2016 negatief ten aanzien van deelname van klager aan een p.p. met elektronische controle. Klager is niet gemotiveerd voor deelname en wenst niet mee te werken aan de voorwaarden van een p.p. met elektronische
controle. Daarnaast beschikt hij niet meer over een aanvaardbaar verlofadres.

De directeur van de locatie Scheveningen heeft op 5 februari 2016 geadviseerd klager terug te plaatsen in een inrichting waar een regime van beperkte gemeenschap geldt. Hierbij zijn het negatieve advies van de reclassering en het gegeven dat klager
niet
bereid is mee te werken aan de voorwaarden van een p.p. met elektronische controle in aanmerking genomen.

4. De beoordeling
4.1. De beroepscommissie wijst het niet onderbouwde verzoek van klager om te worden gehoord af gezien de naderende v.i.-datum.

4.2. In zeer beperkt beveiligde inrichtingen of afdelingen kunnen gedetineerden worden geplaatst die een te verwaarlozen vlucht- of maatschappelijk risico vormen, aan wie een vrijheidsstraf van tenminste zes maanden is opgelegd, die in geval de
veroordeling onherroepelijk is ten minste de helft van de opgelegde vrijheidsstraf hebben ondergaan dan wel in geval de veroordeling nog niet onherroepelijk is een tijd in voorlopige hechtenis hebben doorgebracht waarvan de duur ten minste gelijk is
aan
de helft van de opgelegde gevangenisstraf, die beschikken over een aanvaardbaar verlofadres, die een strafrestant hebben van ten minste zes weken en ten hoogste zes maanden en die zijn gepromoveerd (wijziging van de Regeling met ingang van 1 maart
2014,
Stcrt. 2014, nr. 4617).

4.3. Uit het selectieadvies van 5 februari 2016 en het reclasseringsadvies van 2 februari 2016 volgt dat klager niet meer beschikt over een aanvaardbaar verlofadres, nu hij bij de huidige bewoner niet meer welkom is. Gelet op de voorwaarden zoals
onder 4.2 omschreven kan klager op grond van het ontbreken van een aanvaardbaar verlofadres niet in aanmerking komen voor plaatsing in een z.b.b.i. in het kader van een gestapeld traject. Indien klager wel over een aanvaardbaar verlofadres zou
beschikken, heeft de selectiefunctionaris in het gedrag van klager, zoals beschreven in voornoemde adviezen, alsnog voldoende aanleiding kunnen zien om klagers verblijf in de z.b.b.i. van de locatie Scheveningen te beëindigen. Gelet op het voorgaande
kan de op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter, mr. A.T. Bol en J.G.A. van den Brand, leden, in tegenwoordigheid van L.L. Heikens, secretaris, op 24 mei 2016

secretaris voorzitter

Naar boven