Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 15/3851/GA, 4 april 2016, beroep
Uitspraakdatum:04-04-2016

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 15/3851/GA

betreft: [klager] datum: 4 april 2016

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

de directeur van de locatie Ooyerhoek Zutphen,

gericht tegen een uitspraak van 10 november 2015 van de beklagcommissie bij voormelde locatie, gegeven op een klacht van [...], verder te noemen klager,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 16 maart 2016, gehouden in de penitentiaire inrichting (p.i.) Lelystad, zijn gehoord klagers raadsvrouw mr. T.S.S. Overes en
[...], plaatsvervangend vestigingsdirecteur bij voormelde locatie.
Hoewel voor klagers vervoer naar de zitting was zorg gedragen, heeft hij daarvan geen gebruik gemaakt.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft een disciplinaire straf van drie dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee maanden, wegens - kortweg - diefstal van rijkseigendom, te weten wasmiddel.

De beklagcommissie heeft het beklag gegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van de directeur en klager
De directeur heeft in beroep zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
De directeur volhardt in het eerder tegenover de beklagcommissie gegeven verweer. Klager heeft geen geopend frisdrankpak in kunnen voeren. Dat is tegen de regels van de inrichting. In de inrichting wordt (onder meer) wasmiddel verpakt. Toen de diefstal
van dat product werd opgemerkt, is onderzoek gedaan. Bij klager werd een Bar Le Duc-pak aangetroffen met daarin twee liter van dat middel. Daarop is geconcludeerd dat klager dat middel moet hebben ontvreemd. Het wasmiddel is niet te koop in de
inrichtingswinkel. Klagers stelling, dat hij bij binnenkomst vanuit de p.i. Lelystad twee kleinere flesjes met dat middel bij zich had, is door de directeur niet gecontroleerd. Dat kan daarom volgens de directeur ook niet worden uitgesloten. Omdat het
middel niet is onderzocht, kan de directeur niet meer aantonen dat het bij klager aangetroffen wasmiddel hetzelfde wasmiddel betrof als werd vermist. De directeur is daarvan uitgegaan nu hier sprake was van ongeveer dezelfde hoeveelheid als werd
vermist. De directeur merkt nog op dat wasmiddel, als dit bijvoorbeeld in plastic wordt verpakt, niet wordt opgemerkt bij de scanner bij het verlaten van de werkzaal, dat apparaat reageert enkel op metaal.

Door en namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Niet blijkt dat het product dat bij klager is aangetroffen gelijksoortig is aan dat wat bij de inrichting werd vermist. Het is ook niet waarschijnlijk dat klager dat wasmiddel zou hebben meegenomen omdat de gedetineerden bij het verlaten van de
werkzaal
steeds gecontroleerd worden. Klager ontkent wasmiddel te hebben gestolen.

3. De beoordeling
Aan klager is een disciplinaire straf opgelegd in verband met de verdenking van diefstal van aan de inrichting toebehorend wasmiddel. Nu niet aannemelijk is geworden dat de directeur nader onderzoek heeft verricht of laten verrichten naar de feitelijke
aard van het bij klager aangetroffen wasmiddel en ook niet naar de (on)juistheid van klagers verklaring omtrent de herkomst van dat wasmiddel, is het door en namens klager naar voren gebrachte alternatieve scenario met betrekking tot de herkomst van
dat
wasmiddel onvoldoende weersproken door de directeur. De beroepscommissie zal dan ook van de verklaring van klager uitgaan. Gelet daarop kan hetgeen in beroep naar voren is gebracht, voor zover een en ander is komen vast te staan, niet leiden tot een
ander oordeel dan dat van de beklagcommissie. De uitspraak van de beklagcommissie zal daarom, met aanvulling van de gronden, worden bevestigd.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie, met aanvulling van de gronden.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.A.M. de Wit, voorzitter, mr. M.A.G. Rutten en J. Schagen MA, leden, in tegenwoordigheid van
mr. H.M.J.D. Maes, secretaris, op 4 april 2016.

secretaris voorzitter

Naar boven