Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 15/1445/SGA, 13 mei 2015, schorsing
Uitspraakdatum:13-05-2015

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

DBT  v

Uitspraak

Nummer : 15/1445/SGA
Betreft : [verzoeker] datum: 13 mei 2015

De voorzitter van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen verzoekschrift van

[...], verder verzoeker te noemen, verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) Dordrecht.

Verzoeker vraagt om schorsing, met toepassing van artikel 66, eerste lid, van de Pbw, van de (verdere) tenuitvoerlegging van een tweetal beslissingen van de directeur van voormelde inrichting, te weten:
a. de oplegging van een disciplinaire straf van drie dagen opsluiting in een andere verblijfsruimte dan een strafcel, met verwijdering van de televisie, ingaande op 30 april 2015 om 14:45 uur en eindigend op 3 mei 2015 om 14:45 uur, wegens een
positieve
uitslag van een urinecontrole op het gebruik van softdrugs;
b. de beslissing van 1 mei 2015 tot terugplaatsing vanuit het plusprogramma naar het basisprogramma (degradatie).

De voorzitter heeft voorts kennisgenomen van het klaagschrift van 11 mei 2015 inzake onderdeel a. alsmede van de mededeling van een medewerk(st)er van de beklagcommissie dat het schorsingsverzoek inzake onderdeel b. als klaagschrift zal worden
ingeschreven en de schriftelijke inlichtingen van de directeur van 13 mei 2015.

1. De beoordeling
Ten aanzien van onderdeel a:
De voorzitter overweegt dat verzoeker vraagt om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur die reeds onderwerp is geweest van een eerdere schorsingsprocedure (kenmerk 15/1371/SGA, van 6 mei 2015). Het verzoek is toen
afgewezen. Om die reden kan verzoeker thans niet worden ontvangen in zijn verzoek. Dat zou slechts anders zijn, indien van nieuwe feiten of omstandigheden zou zijn gebleken. Zulks is niet het geval. De voorzitter zal klager derhalve niet-ontvankelijk
verklaren in dit onderdeel van het verzoek.

Ten aanzien van onderdeel b:
De voorzitter stelt voorop dat in het kader van het verzoek om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van de directeur slechts ruimte bestaat voor een voorlopige beoordeling en dat de zaak niet ten gronde kan worden onderzocht en
beslist.
Aan de orde is daarom slechts de vraag of de beslissing waartegen beklag is ingediend in strijd is met een wettelijk voorschrift dan wel zodanig onredelijk of onbillijk is dat er een spoedeisend belang is om thans over te gaan tot schorsing van de
(verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is dat het geval.
In eerdere uitspraken van de voorzitter, onder meer de zaak met kenmerk 14/4204/SGA van 21 november 2014, heeft de voorzitter, onder verwijzing naar een uitspraak van de beroepscommissie (kenmerk 14/1918/SGA) van 10 november 2014, (onder meer)
overwogen: “(...) De beroepscommissie was in die zaak voorts van oordeel dat de directeur alvorens te beslissen de ernst van het gedrag in kwestie dient af te wegen tegen het voorgaande gedrag van verzoeker. Volgens de beroepscommissie vormt immers de
grondslag voor degradatie niet de verstoring van de orde en veiligheid in de inrichting dan wel de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming zonder meer, zoals dat wel het geval is bij de disciplinaire straf en de ordemaatregel, maar de
(mate van) verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn eigen re-integratie. Niet elk ongewenst gedrag hoeft daarom volgens de beroepscommissie tevens in te houden dat klager niet meewerkt aan zijn re-integratie en daarom dient het
structurele gedrag van de betrokken gedetineerde, waarin ook de onderdelen van goed gedrag, bij de beslissing te worden betrokken. (...)” In de bestreden beslissing wordt als motivering verwezen naar de disciplinaire straf van 30 april 2015 wegens het
gebruik van softdrugs. Verder komt uit die beslissing noch uit de reactie van de directeur naar voren dat hij voorafgaand aan de bestreden beslissing een afweging als hiervoor bedoeld heeft gemaakt. Gelet daarop is die beslissing, naar het voorlopig
oordeel van de voorzitter, genomen op gronden die deze niet kunnen dragen. Dit onderdeel van het verzoek zal daarom worden toegewezen en de tenuitvoerlegging van de beslissing om verzoeker te degraderen naar het basisprogramma zal met onmiddellijke
ingang worden geschorst tot het moment dat de beklagcommissie zal hebben beslist op het onderliggende klaagschrift.

2. De uitspraak
De voorzitter verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ten aanzien van onderdeel a. Hij wijst het verzoek ten aanzien van onderdeel b toe en schorst de tenuitvoerlegging daarvan met onmiddellijke ingang tot het moment dat door de
beklagcommissie op het onderliggende klaagschrift zal zijn beslist.

Aldus gedaan door mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter, in tegenwoordigheid van R. Boerhof, secretaris,
op 13 mei 2015

secretaris voorzitter

Naar boven