Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 15/1095/GA, 21 augustus 2015, beroep
Uitspraakdatum:21-08-2015

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 15/1095/GA

betreft: [klager] datum: 21 augustus 2015

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. S.T. van Berge Henegouwen, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 26 maart 2015 van de alleensprekende beklagrechter bij de penitentiaire inrichting (p.i.) Vught,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 24 juli 2015, gehouden in de p.i. Vught, zijn gehoord namens klagers raadsman mr. S.M. Kurvers en mevrouw [...], plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de p.i. Vught.
Als toehoorder was aanwezig mevrouw mr. [...], juridisch medewerkster op het kantoor van mr. Kurvers.

Hoewel klager, die zich inmiddels in vrijheid bevindt, op behoorlijke wijze was opgeroepen, is hij niet ter zitting verschenen.

De directeur heeft na de behandeling ter zitting aan de beroepscommissie het beoordelingsformulier van klager toegezonden, zoals dit besproken is in het MDO van 9 oktober 2014. Dit is ter reactie verstuurd naar klager en zijn raadsman. Op 19 augustus
2015 is een reactie ontvangen van de raadsman.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagrechter
Het beklag betreft:
a. de terugplaatsing van klager naar het basisprogramma;
b. de procedure rondom de disciplinaire straf van vier dagen opsluiting in een strafcel.

De beklagrechter heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten van klager en de directeur
Namens klager is in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
A. Op 8 oktober 2014 moest klager om 08.10 uur starten met het onderwijs. Vanwege het uitlopen van het ochtendprogramma, werd klager verzocht terug te gaan naar zijn cel. Hij heeft dit geweigerd, omdat het inmiddels 07.55 uur was en hij op tijd wilde
zijn bij het onderwijs. Klager is het niet eens met de degradatiebeslissing omdat hij niet in zijn goede gedrag heeft verzaakt. Hij wilde juist op tijd komen bij het onderwijs.
De degradatiebeslissing bevat geen inzichtelijke belangenafweging waarbij het oranje dan wel rode gedrag van klager is afgezet tegen het groene gedrag, teneinde te voorkomen dat op een incidentele gedraging wordt beoordeeld. Hierbij wordt verwezen naar
de vaste jurisprudentie van de beroepscommissie, onder meer RSJ 10 november 2014,
nr. 14/1918/GA en RSJ 16 maart 2015, nr. 14/3222/GA. Daarnaast is klager het niet eens met het tijdsbestek van twee dagen waarin de beslissing tot degradatie is genomen. Voor promotie wordt een periode van zes weken in acht genomen.
B. De directeur heeft klager te laat bezocht. Klager is om 08.05 uur ingesloten in de strafcel. De straf is ingegaan om 10.45 uur. Dit duidt op een periode van bewaardersarrest, dat alleen toegepast mag worden indien dit aantoonbaar noodzakelijk is
voor
directe ordehandhaving. Er is onvoldoende gebleken van een noodzaak. Klager is op 12 oktober 2014 om 10.45 uur uit de strafcel gehaald. Nu het bewaardersarrest op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden, heeft de disciplinaire straf twee uur en
veertig
minuten te lang geduurd.

De directeur heeft in beroep het tegenover de beklagrechter ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
A. Klager heeft een rapport gekregen voor het herhaaldelijk weigeren van een opdracht van het personeel en voor het veroorzaken van een alarmsituatie. Daarvoor is een disciplinaire straf opgelegd. Op grond van dit ongewenste, rode gedrag is klager
gedegradeerd. Omdat het oude model is gebruikt, blijkt uit de degradatiebeslissing niet duidelijk of klagers begane gedraging is aangemerkt als ‘oranje gedrag’ dan wel als ‘rood gedrag’. De beslissing is niet genomen ten tijde van de rapportafhandeling
van de disciplinaire straf, maar na het MDO. Daarbij is gekeken naar klagers gedrag.
B. Klager is op 8 oktober 2014 om 08.05 uur ingesloten. Hij is gehoord door de directeur en de straf is om 10.45 uur ingegaan. De straf liep af op 12 oktober 2014 om 10.45 uur. Er is niet zozeer sprake van het bewaardersarrest. Hij is niet
teruggebracht
naar zijn eigen verblijfsruimte, maar naar een afzonderingscel in afwachting van het horen.

3. De beoordeling
Ten aanzien van het beklag als vermeld onder a. overweegt de beroepscommissie als volgt.
Onder meer in de uitspraken RSJ 10 november 2014, nr. 14/1918/GA en RSJ 16 maart 2015, nr. 14/3222/GA heeft de beroepscommissie bepaald dat de grondslag voor degradatie niet vormt de verstoring van de orde en veiligheid in de inrichting dan wel de
ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming zonder meer, zoals dat wel het geval is bij de disciplinaire straf en de ordemaatregel, maar de (mate van) verantwoordelijkheid die de gedetineerde toont voor zijn re-integratie. Niet elk ongewenst
gedrag hoeft tevens in te houden dat klager niet meewerkt aan zijn
re-integratie. Voorkomen moet worden dat een gedetineerde op een incidentele gedraging wordt beoordeeld. De directeur dient daarom bij zijn beslissing tot degradatie een belangenafweging te maken, waarbij het ‘oranje gedrag’ dan wel het ‘rode gedrag’
van de gedetineerde moet worden afgezet tegen het structurele gedrag, waaronder al het ‘groene gedrag’. Uit die belangenafweging dient duidelijk te blijken waarom het ‘oranje gedrag’ dan wel ‘rode gedrag’ van de gedetineerde, bezien in het licht van
voormeld uitgangspunt, dient te leiden tot degradatie. Die belangenafweging dient, vanwege de ingrijpende gevolgen van die beslissing voor de gedetineerde, maar ook vanwege de toetsbaarheid van die beslissing achteraf door de beklag- en
beroepscommissie, inzichtelijk te zijn en schriftelijk te worden vastgelegd.

Uit het voorliggende degradatiebesluit blijkt dat de directeur heeft besloten tot terugplaatsing van klager vanwege een disciplinaire straf voor het herhaaldelijk niet opvolgen van de opdracht van het personeel. Niet is gebleken dat de directeur
voorafgaande aan de degradatiebeslissing een dergelijke belangenafweging heeft gemaakt. In het degradatiebesluit en in beroep wordt enkel de negatieve gedraging van klager beschreven, terwijl het structurele, positieve gedrag van klager in het geheel
niet wordt vermeld. Wat er ook zij van de ernst van de geconstateerde gedraging, ook dan zal uit de bestreden beslissing dienen te blijken dat de directeur een dergelijke afweging heeft gemaakt.
De inhoud van het nagezonden MDO-verslag doet aan de voorgaande overwegingen niet af, nu daarin is opgenomen dat het opgelopen rapport de basis vormt voor de degradatiebeslissing. Bij gebreke van een inzichtelijke belangenafweging als voornoemd is het
de beroepscommissie onvoldoende duidelijk geworden waarom de directeur heeft geconcludeerd dat klager niet genoeg verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn
re-integratie. De beroepscommissie acht de degradatiebeslissing dan ook onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.

Gelet op het vorenstaande zal de beroepscommissie het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de beklagrechter in zoverre vernietigen en het beklag in zoverre alsnog gegrond verklaren. Nu de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet meer
ongedaan gemaakt kunnen worden, acht de beroepscommissie termen aanwezig voor het toekennen van een tegemoetkoming.

Ten overvloede merkt de beroepscommissie op dat artikel 1d, derde lid, van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden geen termijn noemt waarin de beslissing tot degradatie dient te worden genomen.

Ten aanzien van het beklag als vermeld onder b. overweegt de beroepscommissie als volgt. Hetgeen in beroep is aangevoerd kan naar het oordeel van de beroepscommissie niet tot een andere beslissing leiden dan die van de beklagrechter. Het beroep zal
derhalve ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van beklagonderdeel a. gegrond, vernietigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter en verklaart het beklag in zoverre alsnog gegrond. Zij bepaalt dat aan klager een tegemoetkoming toekomt van €
30,=.
De beroepscommissie verklaart het beroep ten aanzien van beklagonderdeel b. ongegrond en bevestigt in zoverre de uitspraak van de beklagrechter.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. M.J. Stolwerk, voorzitter, R. van Benthem en mr. M.A.G. Rutten, leden, in tegenwoordigheid van
mr. S. Blankenspoor, secretaris, op 21 augustus 2015

secretaris voorzitter

Naar boven