Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 15/0456/GM, 29 april 2015, beroep
Uitspraakdatum:29-04-2015

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 15/456/GM

betreft: [klager] datum: 29 april 2015

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen medisch handelen door of namens de inrichtingsarts verbonden aan de penitentiaire inrichting Ter Apel,

alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 3 februari 2015 van de bemiddeling door de medisch adviseur bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Klagers beroep is behandeld ter zitting van de beroepscommissie van 10 april 2015, gehouden in de penitentiaire inrichtingen Vught.

Klager en de inrichtingsarts verbonden aan de p.i. Ter Apel hebben schriftelijk laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beroep
De klacht, zoals neergelegd in het verzoek om bemiddeling aan de medisch adviseur gedateerd 1 november 2014, betreft het niet tijdig inplannen van klager voor de tandarts door de medische dienst.

2. De standpunten van klager en de inrichtingsarts
Klager heeft zijn klacht als volgt toegelicht.
Het beklag is niet gericht tegen de tandarts, maar tegen de medische dienst. De ‘blonde madam’ van de medische dienst wist niet of hij ingepland was voor de tandarts en heeft hem voor twee weken Ibuprofen gegeven.
Hij is pas vier weken na zijn verzoek aan de medische dienst door de tandarts gezien. De tandarts heeft zijn kies getrokken. Klager heeft, gezien zijn leeftijd van 54 jaar, vrij veel last van en pijn aan zijn gebit, heeft ontstekingen en erg mobiele
tanden. Hij zou een kunstgebit moeten krijgen maar de medische dienst is niet deskundig om dit te organiseren. Klager heeft vier weken lang pijn/ongemak gehad voordat hij geholpen werd en verzoekt om zijn klacht gegrond te verklaren en hem een
tegemoetkoming van € 100,= toe te kennen.
De directeur van de p.i. Ter Apel is verantwoordelijk voor de trage toegang tot de tandarts. Bij vakantie of ziekte wordt de tandarts niet vervangen door de directeur.

De inrichtingsarts heeft het volgende standpunt ingenomen. Klager is op 29 september 2014 ingepland op het spreekuur. Hij wilde die dag geen hand geven en zei: ‘Je weet toch dat ik op maandag nooit een hand geef’. De verpleegkundige heeft aangegeven
dat
hij uit vriendelijkheid en respect een hand wilde geven en heeft klager gezegd dat hij de volgende dag dan maar terug moest komen. Klager is ingepland op het spreekuur op 30 september 2014 maar is niet verschenen. Hij kondigde aan een klacht te zullen
indienen. Vervolgens ging klager er blijkbaar vanuit dat hij op 7 oktober 2014 naar de tandarts kon hij maar de tandarts was toen met vakantie. Op 8 oktober 2014 is hij om een andere reden op het spreekuur van de verpleegkundige verschenen en noemde
hij
dat hij tandpijn had.
De verpleegkundige, die klager ‘blonde madam’ noemt, heeft hem Ibuprofen zetpillen voorgeschreven die klager stelde oraal te zullen innemen. Zij heeft hem in verband met de vakantie van de tandarts op het spreekuur van 20 oktober 2014 gezet.

3. De beoordeling
De beroepscommissie stelt voorop dat klager expliciet heeft aangegeven dat zijn klacht niet gericht is tegen de inrichtingstandarts.

De beroepscommissie overweegt dat uit de stukken en met name klagers medische gegevens volgt dat klager zich op maandag 29 september 2014 bij de medische dienst heeft gemeld met een klacht over kiespijn. Hij weigerde om de verpleegkundige een hand te
geven en gaf aan dat de verpleegkundige zou moeten weten dat klager nooit op maandag een hand geeft. De verpleegkundige heeft klager gezegd dan maar de volgende dag terug te komen en hem ingepland voor het spreekuur van 30 september 2014. Klager is
echter niet op dit spreekuur verschenen. Dit is door klager niet betwist. Dat klager vervolgens in verband met vakantie van de tandarts niet eerder dan op 20 oktober 2014 door de tandarts kon worden gezien kan, gezien klagers weigering om op het
spreekuur van 30 september 2014 te verschijnen, niet aan de medische dienst worden verweten. Op 8 oktober 2014 is klager toen hij zich voor een andere klacht bij de medische dienst meldde een pijnstiller voorgeschreven.
De beroepscommissie is het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien van oordeel dat het handelen van de medische dienst niet kan worden aangemerkt als in strijd met de in artikel 28 Pm neergelegde norm. Het beroep zal derhalve ongegrond
worden verklaard.

In klagers klacht en beroep is tevens sprake van een beklag gericht tegen de beslissing van de directeur om de inrichtingstandarts tijdens diens vakantie van drie weken niet te vervangen. De beroepscommissie zal klager nu dit geen medisch handelen
betreft op dit punt niet-ontvankelijk verklaren in zijn klacht. Nu niet is gebleken dat de beklagcommissie het beklag inhoudelijk heeft beoordeeld zal het secretariaat van de Raad de stukken aan de beklagcommissie bij p.i. Ter Apel toesturen met het
verzoek om het beklag gericht tegen deze beslissing van de directeur alsnog in behandeling te nemen.

3. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond voor wat betreft het handelen van de medische dienst en klager niet-ontvankelijk in zijn klacht voor wat betreft de het niet vervangen van de inrichtingstandarts tijdens diens vakantie.
Het secretariaat van de Raad stuurt de stukken voor wat betreft deze beslissing van de directeur door aan de beklagcommissie van p.i. Ter Apel met het verzoek om het beklag alsnog inhoudelijk te behandelen.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. M.J.C. Koens, voorzitter, drs. J.H.A.M.C. Schoenmaeckers en prof. Dr. W.J. Schudel, leden, in tegenwoordigheid van
mr. H.S. van Gemert, secretaris, op 29 april 2015.

secretaris voorzitter

Naar boven