Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/3627/GA, 10 februari 2015, beroep
Uitspraakdatum:10-02-2015

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 14/3627/GA

Betreft: [klaagster] datum: 10 februari 2015

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. H.M. Mauritz, namens

[...], verder te noemen klaagster,

gericht tegen een op 19 september 2014 genomen beslissing van de directeur van het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Amsterdam Over-Amstel,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

Ter zitting van de beroepscommissie van 27 januari 2015, gehouden in de p.i. Amsterdam Over-Amstel, zijn gehoord namens klaagster haar raadsvrouw mr. Mauritz en [...] plaatsvervangend vestigingsdirecteur van het PPC en [...], chef de clinique van het
PPC.
Hoewel voor klaagsters vervoer naar de zitting was zorg gedragen, heeft zij daarvan geen gebruik gemaakt.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
Het beroep betreft de beslissing van de directeur van 19 september 2014, inhoudende dat klaagster wordt verplicht tot het ondergaan van een onvrijwillige geneeskundige behandeling als bedoeld in artikel 46d, aanhef en onder a, van de Pbw (verder:
a-dwangbehandeling) voor de duur van drie maanden.

2. De standpunten
Namens klaagster is het beroep als volgt toegelicht.
De periode van de a-dwangbehandeling is inmiddels verstreken. Ter zitting wordt van de directeur vernomen dat er is beslist tot verlenging van de a-dwangbehandeling. Verwezen wordt naar de inhoud van het beroepschrift van 1 oktober 2014. Klaagster zou
geen medewerking verlenen aan het behandelplan en medicatie weigeren. Klaagster wil wel meewerken aan het behandelplan en weigert geen medicatie maar is eenmaal vergeten medicatie in te nemen. Daarnaast is de a-dwangbehandeling voor de maximale periode
van drie maanden opgelegd terwijl de behandeling niet langer dan noodzakelijk mag worden voortgezet. Het is de vraag of het noodzakelijk was om de a-dwangbehandeling meteen voor de maximale periode van drie maanden op te leggen.

Door en namens de directeur is de bestreden beslissing als volgt toegelicht.
Klaagster is in mei 2014 in het PPC opgenomen. Er is heel lang getracht om met haar overeenstemming te krijgen over het behandelplan. Ze was ontrouw in haar medicatie inname. Zij is niet eenmaal haar medicatie vergeten, het is herhaaldelijk niet gelukt
om haar de medicatie te laten innemen. Zij nam de medicatie dan weer wel, dan weer niet. Op een gegeven moment was haar situatie zo schrijnend dat er een noodzaak was om over te gaan tot een a-dwangbehandeling. Hiertoe is op 19 september 2014 beslist.
Die beslissing is dus niet zomaar genomen, maar na een lange periode van motiveren. Gelet op de stoornis van klaagster is een lange periode voor het toepassen van de a-dwangbehandeling noodzakelijk. Een periode van twee weken zou zinloos zijn.

3. De beoordeling
Vanwege het ingrijpende karakter van de dwangbehandeling is in artikel 46e, tweede lid, van de Pbw bepaald dat de directeur, ten behoeve van zijn beslissing tot toepassing van dwangbehandeling, dient te overleggen een verklaring van de behandelend
psychiater alsmede een verklaring van een psychiater die de gedetineerde met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was. Uit deze verklaringen dient te blijken dat de gedetineerde op wie de verklaring
betrekking heeft, is gestoord in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 46d, onder a, van de Pbw, zich voordoet.

Alvorens de beslissing tot a-dwangbehandeling ten aanzien van klaagster is genomen heeft de directeur advies ingewonnen bij D. H., behandelend psychiater van klaagster en bij J. W., niet-behandelend psychiater.

De beroepscommissie stelt vast dat uit die adviezen naar voren komt dat klaagster bekend is met autisme en schizofrenie. Door therapieontrouw en volledig weigeren van medicatie is sprake van een persisterend psychotisch toestandsbeeld resulterend in de
gevaarscriteria fysieke uitputting, kans op hydratatie door matige vochtintake, kans op fysieke agressie/letsel bij het team tijdens verzorgingsmomenten DAK. Het verblijf op de afdeling is vrijwel onmogelijk geworden vanwege toebrengen van letsel aan
het team, ontwrichting van het therapeutisch milieu en oproepen van agressie. Klaagster krijgt dagelijks medicatie aangeboden, maar weigert deze herhaaldelijk. Meerdere malen is getracht haar daar in gesprekken toe te motiveren. Zij neemt dan
kortdurend
medicatie maar weigert vervolgens weer. Klaagster heeft een behandelbare stoornis. Instelling op medicatie zal al snel leiden tot een afname van agitatie en vijandigheid en verder tot afname van eerdergenoemd gevaar.
De niet-behandelend psychiater geeft aan dat klaagster aan één stuk door wartaal praat en niet te volgen is in haar verhaal. Ze is geagiteerd en boos, loopt druk rond en komt soms ineens neus-aan-neus te staan met de begeleiding. Ze verkeert in slechte
lichamelijke conditie. Ze is duidelijk uitgeput, moe. Ze ziet grauw en is extreem mager. Bij navraag blijkt ze slecht te eten en te drinken, nauwelijks te douchen en nauwelijks te slapen. Op grond hiervan krijgt ze al drie dagen dwangmedicatie middels
een b-dwangbehandeling toegediend. Dat heeft effect: ze is rustiger dan voorheen ook minder geagiteerd, maar het effect is nog fors onvoldoende. Klaagster is een vrouw met een ernstige psychische stoornis van waaruit zij komt tot somatisch gevaar voor
zichzelf (uitputting, uitdroging, slechte voedingstoestand) en tot gevaar voor derden (agitatie en agressie naar begeleiders). De enige manier om het gevaar, voortkomend uit de stoornis, op dit moment af te wenden is dwangbehandeling A, aldus de
niet-behandelend psychiater.

Gelet op het vorenstaande acht de beroepscommissie voldoende aannemelijk geworden dat klaagster een psychiatrische stoornis heeft, dat zij vanuit die stoornis gevaar als bedoeld in artikel 46a van de Pbw veroorzaakt en dat, zonder een geneeskundige
behandeling, het gevaar dat de stoornis van haar geestvermogens klaagster doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. Tevens is het voor de beroepscommissie voldoende aannemelijk geworden dat de gekozen dwangbehandeling
voldoet aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. De beslissing van de directeur om bij klaagster een dwangbehandeling als bedoeld in artikel 46d, aanhef en onder a, van de Pbw voor de duur van drie maanden toe te passen kan
derhalve niet worden aangemerkt als onredelijk en onbillijk. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. M.M. van der Nat, voorzitter, mr. A.T. Bol en MSc J. Plaisir, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Jousma, secretaris, op 10 februari 2015

secretaris voorzitter

Naar boven