Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/2397/GA, 22 december 2014, beroep
Uitspraakdatum:22-12-2014

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 14/2397/GA

Betreft: [klaagster] datum: 22 december 2014

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. W.E.R. Geurts, namens

[...], verder te noemen klaagster,

gericht tegen een uitspraak van 9 juli 2014 van de beklagcommissie bij de locatie Nieuwersluis,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting van de beroepscommissie van 21 november 2014, gehouden in de penitentiaire inrichtingen (p.i.) Vught, zijn gehoord klaagsters raadsvrouw mr. W.E.R. Geurts en de plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de p.i. Utrecht, [...].
Als toehoorder was aanwezig [...], stagiaire bij de afdeling rechtspraak van de Raad.
Klaagster is inmiddels overgeleverd aan Roemenië en zij is niet ter zitting verschenen.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
Het beklag betreft de afwijzing van klaagsters verzoek om bezoek zonder toezicht (BZT) te mogen ontvangen.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard op de gronden als in de aangehechte uitspraak weergegeven.

2. De standpunten
Namens klaagster is het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt in beroep als volgt – zakelijk weergegeven – toegelicht.
Klaagster verbleef aanvankelijk in voorlopige hechtenis wegens een in Nederland lopende strafzaak. Op 19 november 2013 heeft de rechtbank Amsterdam haar overlevering naar Roemenië bevolen. Omdat er nog geen datum bekend is voor de uitvoering van het
bevel is de overleveringsbewaring van klaagster sindsdien telkens verlengd. Het maken van onderscheid tussen personen in een huis van bewaring-(h.v.b. ) en een gevangenisregime is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM),
met name artikel 14 EVRM. Klaagster voldoet aan alle vereisten voor het ontvangen van BZT en dient op dezelfde voet als een veroordeelde die verblijft in een gevangenis, gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van
9
juli 2013, nr. 42615/06 (Varnas tegen Litouwen), in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht. Verwezen wordt naar een tweetal uitspraken van 8 augustus 2014 van de beroepscommissie, nrs. 14/1062/GA en 14/1038/GA.

De directeur heeft zijn tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt in beroep als volgt – zakelijk weergegeven – toegelicht.
Ingevolge de circulaire van 8 september 2000, kenmerk 5041936/00/DJI, en de jurisprudentie van de beroepscommissie dient de directeur een op de (onveroordeelde) gedetineerde toegesneden beslissing te nemen. Klaagster verbleef ten tijde van haar verzoek
om BZT te mogen ontvangen nog geen jaar in detentie. In oktober 2014 zou klaagster een jaar in overleveringsbewaring hebben verbleven en een verzoek tot BZT was dan waarschijnlijk toegewezen. Klaagster is inmiddels in oktober 2014 overgeleverd aan
Roemenië.

3. De beoordeling
Namens klaagster is een beroep gedaan op een beslissing van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 9 juli 2013, klachtnummer 42615/06 in de zaak van Varnas tegen Litouwen. Die zaak betreft een ‘conjugal visit’ en de beroepscommissie begrijpt
dat die vorm van bezoek sterke overeenkomst vertoont met het hier te lande bestaande zogenaamde BZT. Het Hof heeft een schending van artikel 14 in samenhang met artikel 8 van het EVRM aangenomen. In het kader van artikel 14 EVRM beantwoordt het Hof de
vraag of het is gerechtvaardigd om de bijzondere bezoeken wel in het kader van detentie na een veroordeling toe te staan, maar niet in het kader van voorlopige hechtenis.

In eerdere uitspraken van 8 augustus 2014, nrs. 14/1062/GA en 14/1038/GA, en 2 september 2014, nr. 14/1738/GA, heeft de beroepscommissie overwogen dat van geval tot geval moet worden bezien of sprake is van een gerechtvaardigd onderscheid tussen een
onveroordeelde en veroordeelden. Daarbij kan allereerst betekenis toekomen aan het doel van de voorlopige hechtenis, dat verschilt van dat van de gevangenisstraf. Voorts komt onder meer betekenis toe aan de vraag of de in het h.v.b. feitelijk bestaande
(reguliere) bezoekmogelijkheden beperkter zijn dan die in de gevangenis en de vraag of er bij die reguliere bezoekmomenten nog een mogelijkheid is tot enig fysiek contact. Tenslotte is de duur van de in een h.v.b. ondergane detentie van belang. Bij dit
laatste moet in aanmerking worden genomen dat voorlopig gehechten na berechting in eerste aanleg worden doorgeplaatst naar een gevangenis en dat daarmee de mogelijkheid van BZT doorgaans in ieder geval na ongeveer het eerste jaar van de detentie voor
onveroordeelden op dezelfde voet als voor veroordeelden bestaat.

Voorts zijn de verschillen tussen de gewone bezoekmogelijkheden in het h.v.b. en de gevangenis in Nederland (kennelijk anders dan in Litouwen) voor wat betreft de frequentie en de duur van het bezoek bepaald niet aanzienlijk. Daarenboven is zowel bij
het bezoek in het h.v.b. als bij dat in de gevangenis anders dan in het door het Europees Hof in de zaak Varnas beoordeelde geval enig, zij het beperkt, fysiek contact tussen bezoeker en gedetineerde mogelijk.
De directeur heeft op 29 april 2014 klaagsters verzoek om BZT afgewezen. Door de directeur is onweersproken gesteld dat klaagster ten tijde van haar verzoek om BZT nog geen jaar in detentie verbleef. In de zaak Varnas betrof de (aaneengesloten) duur
van
de detentie (in het h.v.b.) meer dan drie jaar. Van een niet gerechtvaardigd onderscheid in behandeling (discriminatie) tussen klaagster als onveroordeelde en veroordeelden was gelet op het voorgaande geen sprake. Klaagster is niet gediscrimineerd
omdat
er geen belangrijke verschillen zijn te ontwaren voor wat betreft frequentie, duur en fysiek contact tussen haar als onveroordeelde en veroordeelden en is evenmin gediscrimineerd, omdat een veroordeelde in de praktijk niet onmiddellijk na vanuit de
vrije maatschappij in een gevangenis te zijn geplaatst voor BZT in aanmerking komt.
Opmerking verdient nog dat de directeur bij de afwijzing van het verzoek als bijzondere omstandigheid uitsluitend de duur van de detentie in aanmerking heeft genomen en overigens heeft verwezen naar de vigerende regels inzake BZT. Nu niet gebleken is
van zodanige andere bijzondere omstandigheden dat het louter verwijzen naar die regels ontoereikend is, oordeelt de beroepscommissie dat de beslissing van de directeur niet in strijd is met een wettelijk voorschrift of bij afweging van alle in
aanmerking te nemen belangen onredelijk of onbillijk is. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de beklagcommissie met aanvulling van de gronden.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. P.C. Vegter, voorzitter, dr. A.M. van Kalmthout en mr. M.A.G. Rutten, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A.H. de Bruin, secretaris, op 22 december 2014.

secretaris voorzitter

Naar boven