Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 14/0515/GM, 19 mei 2014, beroep
Uitspraakdatum:19-05-2014

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 14/515/GM

betreft: [klager] datum: 19 mei 2014

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 30 van de Penitentiaire maatregel (Pm) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend door mr. D.P. Poppe, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen medisch handelen door of namens de inrichtingsarts verbonden aan de locatie Doetinchem,

alsmede van de overige stukken, waaronder het verslag van 12 februari 2014 van de bemiddeling door de medisch adviseur bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

De beroepscommissie hield zitting op 22 april 2014 in de penitentiaire inrichtingen Vught.
Klagers raadsman voornoemd heeft schriftelijk bericht dat hij en klager, die zich inmiddels in vrijheid bevindt, niet ter zitting aanwezig zullen zijn en nog nader te zullen reageren.
De inrichtingsarts verbonden aan de locatie Doetinchem heeft schriftelijk laten weten verhinderd te zijn ter zitting te verschijnen.
Nu geen der partijen ter zitting aanwezig is geweest heeft klagers raadsman aangegeven geen nadere reactie te geven.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beroep
De klacht, zoals neergelegd in het verzoek om bemiddeling aan de medisch adviseur van 24 januari 2014, betreft het niet juist behandelen van de klachten aan klagers linker voet, klagers allergie en zijn borstklachten.

2. De standpunten van klager en de inrichtingsarts
Namens klager is-zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.
1. De doorverwijzing naar de fysiotherapeut heeft onnodig lang geduurd.
2. Op 5 november 2013 is klager onderzocht en pas op 3 december 2013 is hij verwezen naar de neuroloog en aldaar op 17 januari 2014 behandeld.
3. Er was een bekende einddatum dus de arts had eerder moeten verwijzen.
4. Klagers lichamelijke klachten zijn onnodig verergerd en hij heeft medicijnen moeten nemen waardoor zijn lichamelijke conditie verder verslechterd is.
5. Klager had enkel in zijn cel last van allergie.
6. Er is onzorgvuldig en niet adequaat gehandeld, er zijn onjuiste diagnoses gesteld.
7. Klager is het niet eens met opmerking dat klager niet goed Nederlands zou spreken.

In reactie op het beroep heeft de inrichtingsarts het volgende aangevoerd.
1. Klagers einddatum was niet duidelijk, zodra dit bekend was is hij verwezen naar de neuroloog.
2. Desgevraagd gaf klager aan geen trauma aan zijn voet te hebben, er was ook niets zichtbaar. Het trauma blijkt pas uit de brief van de neuroloog.
3. Klager is doorverwezen op grond van de ernst en de aard en het verloop van de klachten.
4. Klager is bekend met diabetes type 1. Hij laat zich niet regelmatig controleren. Hij geeft zelf aan geen klachten te hebben. De klachten aan zijn voeten lijken het gevolg van diabetes. Klager ontkent dit en wil fysiotherapie. Er is sprake van
polyneuropathie.
5. Bij binnenkomst heeft klager geen allergie gemeld.
6. Klager is regelmatig op het spreekuur gezien en is onderzocht en hem is uitleg gegeven.
7. Klager kon zich goed uiten in de Nederlandse taal, toch hebben sommige gesprekken moeite gekost. Op 7 maart 2014 is klager nogmaals alles uitgelegd.

3. De beoordeling
De beroepscommissie overweegt op basis van de stukken, waaronder het medisch dossier, dat er gelet op hetgeen door klager is aangevoerd, geen reden was hem te verwijzen naar de fysiotherapeut. De periode die verstreek tussen het onderzoek en de
verwijzing naar de neuroloog wordt niet onredelijk geacht. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat klager eerder verwezen had moeten of kunnen worden. Wanneer iemand daadwerkelijk bij een specialist behandeld wordt, valt buiten de zeggenschap van
de inrichtingsarts.
Klager heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zijn lichamelijke klachten door bovenstaande verstreken periode verergerd zouden zijn.
Klager heeft de door hem gestelde maar niet eerder aangevoerde allergie niet verder onderbouwd en ook niet in de beroepsfase nader toegelicht.
Klager verwijt de inrichtingsarts onzorgvuldig te handelen en onjuiste diagnoses te stellen. Veeleer wordt echter, op basis van de overgelegde gegevens, aangenomen dat klager de klachten waar hij vermoedelijk aan lijdt niet onderkent of niet wil
onderkennen. Voor zover klager medische klachten heeft of heeft gehad is niet gebleken dat daar door de inrichtingsarts of medische dienst niet serieus of niet adequaat op gereageerd zou zijn.
Daarbij komt dat aan klager klaarblijkelijk, omdat twijfel bestond of hem alles duidelijk was, nog een nadere uitleg over zijn medische situatie en de wijze waarop daarop wordt gereageerd is gegeven.
De beroepscommissie is het voorgaande in samenhang en onderling verband bezien van oordeel dat het handelen van de inrichtingsarts niet kan worden aangemerkt als in strijd met de in artikel 28 Pm neergelegde norm. Het beroep zal derhalve ongegrond
worden verklaard.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit
mr. S.B. de Pauw Gerlings - Döhrn, voorzitter, J.G.J. de Boer en J.H.A.M.C. Schoenmaeckers, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Lispet, secretaris, op 19 mei 2014.

secretaris voorzitter

Naar boven