Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 02/0499/TP, 9 juli 2002, beroep
Uitspraakdatum:09-07-2002

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 02/499/TP

betreft: [klager] datum: 9 juli 2002

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 69 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennis genomen van een op 26 februari 2002 bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift, ingediend doormr. N.A. Heidanus, namens

[...], verder te noemen klager,

tegen een beslissing van de Minister van Justitie, verder te noemen de Minister,

alsmede van de overige stukken, waaronder de bestreden beslissing.

De beroepscommissie heeft de Minister in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het beroep en klager alsmede zijn raadsman mr. N.A. Heidanus om het beroep schriftelijk toe te lichten.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De Minister heeft de termijn waarbinnen klager in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden (tbs-inrichting) had moeten zijn geplaatst verlengd met ingang van 9 maart 2002 tot en met 6 juni 2002.

2. De feiten
Klager is bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak d.d. 24 mei 2000 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met aftrek en ter beschikking gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal wordenverpleegd.
De terbeschikkingstelling (tbs) van klager is ingegaan op 14 maart 2001. Sindsdien heeft klager in afwachting van zijn plaatsing in een tbs-inrichting als passant verbleven in het huis van bewaring (h.v.b.) De Boschpoort te Breda.
De Minister heeft bij beschikking d.d. 13 februari 2001 besloten tot plaatsing van klager in het Forensisch Psychiatrisch Centrum Veldzicht te Balkbrug. Klager is op 16 april 2002 in die inrichting geplaatst.

3. De standpunten
Namens klager is het beroep als volgt toegelicht. Klager gaat niet akkoord met verlenging van de passantentermijn. Indien de bestreden beslissing ten uitvoer wordt gelegd bedraagt klagers wachttijd reeds 15 maanden. Klager is vanmening dat de Minister meer dan genoeg tijd heeft gehad om te bewerkstelligen dat de wachttijd verder zou teruglopen. Verzocht wordt om de verlengingsbeslissing van de Minister te vernietigen.

Namens de Minister is inzake het beroep het volgende standpunt naar voren gebracht.
Het beroep zal formeel ongegrond zijn, nu klager tijdig is gehoord en de beslissing hem tijdig is meegedeeld en tijdig aan hem uitgereikt.
Het beroep zal tevens materieel ongegrond zijn. Ten tijde van de bestreden beslissing verbleef klager 12 maanden in een h.v.b. Gelet op de duur van de passantentermijn is aan klager per brief van 20 februari 2002 een aanbod gedaantot een financiële tegemoetkoming. Klager heeft aangegeven van dit aanbod gebruik te willen maken. De passantentermijn ten tijde van de verlenging wordt niet zodanig lang geacht dat op die enkele grond de verlengingsbeslissingonredelijk of onbillijk is. Er bestond geen aanleiding ten aanzien van klager, die op een gewone afdeling van een h.v.b. verbleef, af te wijken van de volgorde van plaatsing in tbs-inrichtingen die primair wordt bepaald door deaanvangsdatum van de tbs. Niet is gebleken dat hij met voorrang boven andere tbs-passanten in een tbs-inrichting moest worden geplaatst. De Minister had ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing vanuit de inrichting vanklagers verblijf geen signalen daaromtrent ontvangen. De inhoud van de overgelegde medische verklaring gaf de Minister geen aanleiding om klager met voorrang in een tbs-inrichting te plaatsen.

4. De beoordeling
Zoals de beroepscommissie in haar uitspraak d.d. 9 februari 1998 (C 97/28) heeft overwogen leidt een beslissing van de Minister tot verlenging van de passantentermijn wegens capaciteitstekort niet zonder meer tot gegrondverklaringvan het beroep. Volgens bestendige jurisprudentie van de beroepscommissie kan het beroep leiden tot gegrondverklaring indien de duur van de passantentermijn onredelijk en onbillijk moet worden geacht en/of de psychische conditie vande tbs-passant zodanig is dat hij als ongeschikt voor verder verblijf in een h.v.b moet worden aangemerkt.

In de onderhavige zaak is gebleken dat klager als gevolg van de bestreden beslissing 12 maanden als tbs-passant in een h.v.b. verbleef. Een zodanige duur moet, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, in dit geval alsonredelijk en onbillijk worden aangemerkt.
De beroepscommissie is van oordeel dat zulks meebrengt - het hiervoor overwogene in aanmerking genomen - dat het beroep gegrond is en dat de beslissing van de Minister tot verlenging van de passantentermijn op materiële grond dientte worden vernietigd.

Uit de medische verklaring d.d. 3 april 2002 van de Forensisch Psychiatrische Dienst (FPD) te Breda blijkt dat de psychische conditie van klager op dat moment niet van dien aard was dat een verder verblijf in het huis van bewaringals onverantwoord moest worden beschouwd.
De beroepscommissie gaat er derhalve van uit dat er ten tijde van de bestreden beslissing geen aanleiding bestond om klager bij voorrang in een tbs-inrichting te plaatsen.

De beroepscommissie zal, al het hiervoor overwogene in aanmerking genomen, met toepassing van artikel 66, derde lid onder c, Bvt, volstaan met vernietiging van de bestreden beslissing.

Nu de rechtsgevolgen van de op materiële grond te vernietigen beslissing niet meer ongedaan zijn te maken dient klager terzake een tegemoetkoming te worden geboden.

De beroepscommissie zal deze tegemoetkoming vaststellen op € 600,= per maand vanaf de dag dat het verblijf van klager in een h.v.b. 12 maanden heeft geduurd tot de dag waarop plaatsing in een tbs-inrichting daadwerkelijk isverwezenlijkt, te weten 16 april 2002.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing.
Zij bepaalt de aan klager ten laste van de Minister toekomende tegemoetkoming op
€ 600,= per maand vanaf de dag dat het verblijf van klager in een h.v.b. 12 maanden heeft geduurd tot de dag waarop plaatsing in een tbs-inrichting daadwerkelijk is verwezenlijkt, te weten 16 april 2002.

Aldus gedaan door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, mr. S.L. Donker en dr. M. Smit, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.S. van Gemert, secretaris, op 9 juli 2002

secretaris voorzitter

Naar boven