Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 13/0909/GB, 6 mei 2013, beroep
Uitspraakdatum:06-05-2013

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

Nummer: 13/909/GB

Betreft: [klager] datum: 6 mei 2013

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift van,

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een op 8 februari 2013 genomen beslissing van de selectiefunctionaris,

alsmede van de overige stukken, waaronder de beslissing waarvan beroep.

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt.

1. De inhoud van de bestreden beslissing
De selectiefunctionaris heeft klagers verzoek tot overplaatsing naar een beperkt beveiligde inrichting (b.b.i.) met regimair verlof afgewezen.

2. De feiten
Klager is sedert 21 december 2011 gedetineerd. Hij verblijft in de gevangenis van Unit 7 van de Penitentiaire Inrichtingen (p.i.) Vught.

3. De standpunten
3.1. Klager heeft het beroep als volgt toegelicht. Klager is het niet eens met de stelling dat hij vluchtgevaarlijk is. Hij heeft zich nooit aan detentie onttrokken en hij is altijd op tijd teruggekeerd van verlof. Klager is voorafgaand aan zijn
aanhouding aangehouden door een politieagent, die om zijn legitimatie vroeg. Na deze te gecontroleerd te hebben had de agent hier niets op aan te merken. Klager werkte goed mee. Wat betreft klagers verlofadres heeft hij een nieuw adres.

3.2. De selectiefunctionaris heeft de afwijzing van genoemd verzoek als volgt toegelicht. Het negatieve advies van het Team Executie Strafvonnissen (TES) heeft de selectiefunctionaris doen besluiten klagers verzoek tot plaatsing in een b.b.i. af te
wijzen. Het TES is van oordeel dat klager vluchtgevaarlijk is en schat de kans op onttrekking aan detentie hoog in. De selectiefunctionaris komt hierdoor tot het oordeel dat klager niet geschikt is voor een b.b.i., ondanks klagers goede gedrag in
detentie. De politie geeft tevens aan de kans op onttrekking van klager aan de voorwaarden hoog in te schatten. Daarnaast hebben zij klagers woonadres afgekeurd als verlofadres, vanwege een, volgens de politie, vuurwapengevaarlijke man wiens auto al
weken voor de deur van klagers woonadres staat.

4. De beoordeling
4.1. Op grond van artikel 3 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden komen naast zelfmelders voor plaatsing in een beperkt beveiligde inrichting in aanmerking gedetineerden die een beperkt vlucht- en maatschappelijk
risico vormen, een strafrestant hebben van maximaal achttien maanden en beschikken over een aanvaardbaar verlofadres.

4.2. In de toelichting op dit artikel (Stcr. 12 september 2000, nr. 176, pagina 9) staat dat bij de plaatsing in zeer beperkt en beperkt beveiligde inrichtingen de beoordeling of de gedetineerde geschikt is tot terugkeer in de samenleving een
belangrijke rol speelt. Indicator bij de beoordeling daarvan is of de gedetineerde reeds eerder tijdens de huidige detentie met goed resultaat bewegingsvrijheid (onbegeleid) buiten de inrichting heeft genoten (algemeen verlof, schorsing van de
preventieve hechtenis, incidenteel verlof, strafonderbreking), alsmede of zich daarna omstandigheden hebben voorgedaan die aan deze indicator ernstig afbreuk doen. Gelet op het open karakter van de inrichting of afdeling spelen de aard, zwaarte en
achtergrond van het gepleegde delict en de persoonlijkheid van de gedetineerde een rol bij de beoordeling of betrokkene geschikt is voor plaatsing in een zeer beperkt of beperkt beveiligde inrichting of afdeling.

4.3. De op de onder 3.2 genoemde gronden gebaseerde beslissing van de selectiefunctionaris kan, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk worden aangemerkt. Hierbij zijn de negatieve adviezen van het TES,
de politie en de directeur van de inrichting van de p.i. Vught, met betrekking tot plaatsing van klager in een b.b.i., in aanmerking genomen. In alle adviezen wordt de kans dat klager zich onttrekt aan detentie hoog ingeschat. De beroepscommissie
overweegt dat ten tijde van de bestreden beslissing er nog geen sprake was van een aanvaardbaar verlofadres, hetgeen op zichzelf al een contra-indicatie vormt voor plaatsing in een b.b.i. Weliswaar heeft klager in beroep aangegeven over een alternatief
verlofadres te beschikken, maar daarvan staat niet vast of dit adres wel een aanvaardbaar verlofadres is. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.

5. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. J.I.M.W. Bartelds, voorzitter, mr. A.T. Bol en mr. L.M. Moerings, leden, in tegenwoordigheid van C.M.E. Taverne, secretaris, op 6 mei 2013

secretaris voorzitter

Naar boven