Onderwerp: Bezoek-historie

RSJ 13/0134/TA, 25 maart 2013, beroep
Uitspraakdatum:25-03-2013

Dit onderwerp bevat de volgende rubrieken.

Uitspraak

nummer: 13/134/TA

betreft: [klager] datum: 25 maart 2013

De beroepscommissie als bedoeld in artikel 67 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) heeft kennisgenomen van een bij het secretariaat van de Raad ingekomen beroepschrift ingediend door mr. K.C. van Hoogmoed, namens

[...], verder te noemen klager,

gericht tegen een uitspraak van 4 januari 2013 van de beklagcommissie bij FPC Dr. S. van Mesdag te Groningen, verder te noemen de inrichting, voor zover in beroep van belang,

alsmede van de overige stukken, waaronder de uitspraak waarvan beroep, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Het beroep is behandeld ter zitting van de beroepscommissie van 11 maart 2013 gehouden in de penitentiaire inrichtingen te Vught.

Klager heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te verschijnen.

Zijn raadsvrouw mr. K.C. van Hoogmoed is niet ter zitting verschenen.

Door de stafmedewerker juridische zaken van de inrichting is schriftelijk meegedeeld dat zij verhinderd is om ter zitting te verschijnen.

Op grond van de stukken en haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als volgt:

1. De inhoud van het beklag en de uitspraak van de beklagcommissie
In beroep is aangevoerd dat het beklag betreft:
a. de op 8 augustus 2012 gehouden urinecontrole en
b. de oplegging van afdelingsarrest ingaande op 8 augustus 2012 vanwege de weigering om mee te werken aan de op die datum gehouden urinecontrole.

De beklagcommissie heeft klager, zoals volgt uit de aangehechte uitspraak, niet ontvankelijk verklaard en geen inhoudelijke uitspraak gedaan met betrekking tot a. en b.

2. De standpunten van klager en het hoofd van de inrichting
Namens klager is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht.
Klager heeft in zijn klaagschrift tevens beklag ingediend tegen het opgelegde afdelingsarrest ingaande op 8 augustus 2012. Ten onrechte heeft de beklagcommissie geoordeeld dat klager geen beklag heeft ingediend over de op 8 augustus 2012 gehouden
urinecontrole en het op die datum opgelegde afdelingsarrest. Klager kan begrijpen dat zijn brief van 9 augustus 2012 niet geheel duidelijk was.

Namens het hoofd van de inrichting is in beroep het tegenover de beklagcommissie ingenomen standpunt als volgt toegelicht. Het klaagschrift heeft geen betrekking op de beslissing tot oplegging van afdelingsarrest van 8 augustus 2012.
Voorts blijkt niet uit het klaagschrift dat klager heeft willen klagen over de gang van zaken rond de urinecontrole op 8 augustus 2012. Hij schetst namelijk de situatie van 9 augustus 2012.

3. De beoordeling
Uit het klaagschrift van 9 augustus 2012 blijkt dat klager beklag heeft ingesteld tegen de hem op de ochtend van 9 augustus 2012 aangezegde urinecontrole. Niet is gebleken dat klager hiermee bedoeld heeft beklag in te stellen tegen de op 8 augustus
2012
aangezegde urinecontrole en het op die datum opgelegde afdelingsarrest. Naar het oordeel van de beroepscommissie is niet gebleken dat de beklagcommissie abusievelijk op deze onderdelen niet heeft beslist. Zij zal derhalve het beroep ongegrond
verklaren.

4. De uitspraak
De beroepscommissie verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door de beroepscommissie voornoemd, bestaande uit mr. N. Jörg, voorzitter, drs B. van Dekken en mr. R.M. Maanicus, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.S. van Gemert, secretaris, op 25 maart 2013

secretaris voorzitter

Naar boven